Nog een keer: Christocentrisch preken
Jos Douma
Het artikel ‘Hoe Persoonlijk preken wij? Christus
voorstellen in de verkondiging’ dat in Pro Ministerio van april 2004 verscheen
(jaargang 33 nummer 2), riep een aantal vragen op die ik in dit artikel graag
wil proberen te beantwoorden.
De eerste vraag: Kom je met je verhaal niet dicht in de
buurt van het Christomonisme? Bij deze vraag is het van belang om te
verwoorden wat bedoeld wordt met christomonisme. Het lijkt me niet zinvol om
daar nu een heel uitgebreid verhaal over te vertellen en daarom volsta ik hier
met twee omschrijvingen die ik vond bij W. van ’t Spijker: ‘In de theologie is
dit een aanduiding van een theologische versmalling van de weg waardoor aan
andere theologische aspecten tekort wordt gedaan’; ‘De term is een aanduiding
voor een versmalde aandacht voor het heilswerk van Christus, waardoor de
rijkdom van zijn gehele openbaring wegvalt’ (Gemeenschap met Christus.
Centraal gegeven van de gereformeerde theologie, blz. 46).
Mijn artikel teruglezend kan ik me deze vraag goed
voorstellen. Dus daarom grijp ik deze vraag graag aan om te zeggen dat het me
wel degelijk om een radicaal christocentrische benadering gaat, maar dat die
benadering wel nader wordt ingekleurd door onder meer de term trinitarisch: het
gaat om een trinitarisch christocentrisme. Want het gaat er niet om dat de
Vader en de Geest naar de achtergrond zouden moeten verdwijnen. Integendeel: we
zullen de Vader pas echt gaan leren kennen als we ons concentreren op Christus
(Johannes 14:7,9). En we zullen pas werkelijk onder de indruk komen van het
werk van de heilige Geest als we ontdekken hoezeer Hij ons concentreert op
Christus in al zijn volheid (Johannes 16:14).
Dat kun je ook zo zeggen: de drie-enige God leren we juist
door Jezus heen kennen. Hij is de Deur tot de Drie-enige. Ik heb geprobeerd om
in mijn boek Jezus ontdekken. 33dagenboek (Kok Kampen 2004) recht te
doen aan het waarheidselement in de kritische vraag naar christomonisme door
het boek zo in te delen:
Daarin is direct de trinitarische benadering herkenbaar,
zonder dat afbreuk wordt gedaan aan het centraal stellen van Christus. In het
boek heb ik welbewust ook thema’s aan de orde gesteld als: de schepping, de
wederkomst, de gaven van de Geest, de gehoorzaamheid aan de Vader enzovoort.
Een christocentrische benadering is dús trinitarisch en dús eschatologisch,
juist ómdat het een christocentrische benadering is.
Dat brengt me direct al bij een tweede vraag: Komen de
‘diepten Gods’ (1 Korintiërs 2:10) wel voldoende aan bod in een prediking die
zich zo sterk concentreert op Christus? Uiteraard loopt elke predikant, en
ik dus ook, het gevaar in een zekere eenzijdigheid terecht te komen in zijn
prediking. We worden daar allemaal min of meer voor behoed omdat we - daar ga
ik tenminste vanuit - op zeer regelmatige basis de leer van Gods Woord
verklaren zoals die is samengevat in de Heidelbergse Catechismus (artikel 66
van de Kerkorde).
Tegelijk geloof ik dat het zeer bijbels is om te stellen dat
we de ‘diepten Gods’ alleen werkelijk op het spoor zullen komen via Jezus
Christus. Paulus spreekt over de ‘diepten Gods’ vlak nadat hij heeft
uitgeroepen: ‘Want ik had niet besloten iets te weten onder u, dan Jezus
Christus - en die gekruisigd’ (1 Korintiërs 2:2)!
Het zijn met name de volgende bijbelwoorden die me de volle
vrijmoedigheid geven om te geloven dat we juist door ons te concentreren op
Christus de volle rijkdom van Gods openbaring zullen ontdekken: ‘Al de schatten
van de wijsheid en de kennis zijn verborgen in Christus, het geheimenis Gods’
(Kolossenzen 2:3); ‘In Christus woont al de volheid van de godheid lichamelijk’
(Kolossenzen 2:9); ‘Christus is alles en in allen’ (Kolossenzen 3:11); ‘De
kennis van Christus Jezus, mijn Here, gaat alles te boven’ (Filippenzen 3:8).
Zo kan Paulus ook nog spreken over de ‘onnaspeurlijke rijkdom van Christus’
(Efeziërs 3:8). En ik denk ook nog, als het gaat om de diepten van God en om
wat er leeft in het Vaderhart, aan Johannes 1:18: ‘Niemand heeft ooit God
gezien; de eniggeboren Zoon, die aan de boezem van de Vader is, die heeft Hem
doen kennen.’
Juist via Jezus Christus zullen al die grootse, bijbelse
thema’s voor ons gaan stralen: Verkiezing, Trouw, Beloften, Verbond, Schepping,
Toekomst, Genade, Gaven van de Geest, Vrucht van de Geest, Liefde, Gekwetste
Liefde, Leven, Heerlijkheid. En het is alleen via de Gekruisigde Christus dat
we onze peilloze nood en zonde en Gods toorn zullen gaan leren kennen. En het
is alleen door Christus heen dat de openbaring van God in het Oude Testament
werkelijk voor ons open zal gaan.
Wie de diepten van God wil leren kennen en leren preken,
moet naar Christus toe en alles verwachten van zijn heilige Geest.
Er is nog een vraag die om beantwoording vraagt. In mijn
artikel ‘Hoe Persoonlijk preken wij? Christus voorstellen in de verkondiging’
heb ik een onderscheid gemaakt tussen ‘Christ-centred’ en ‘Bible-Based’. Dit
onderscheid riep deze vraag wakker: Wordt de band tussen het kennen van de
levende Christus en het verstaan van de Schriften niet te los?
Laat ik het maar direct helder zeggen: ik kan Christus niet
buiten de Schriften om leren kennen! Hij is in de volle betekenis van het
woord: de Christus der Schriften. Alleen: de gedachte zou nu kunnen
postvatten dat Christus er ook alleen maar is op het moment dat de Schriften
open zijn (dus in de lezing en de prediking van de Schrift). Het lezen van de
Schriften de de bediening van het Woord zijn er inderdaad helemaal op gericht
om ons Christus bekend te maken en ons met Hem in gemeenschap te brengen. Maar
als dat dan gebeurd is, en ik ga - bij wijze van spreken - vanuit de kerkdienst
direct naar Bloemendaal aan Zee, dan zal ik de Christus die ik mocht ontmoeten
in de prediking ook met de ogen van mijn geloof zien in de stilte van een
winteravond (want ik leer Christus in de Schriften kennen ook als de Heer van
de Schepping, Kolossenzen 1:16).
De Schriften zijn dus absoluut onmisbaar voor het kennen van
de Christus. Daar vind ik zijn levendmakende Woorden. Daar leer ik zijn genade
kennen. Daar leer ik om door Hem heen de liefde van Gods Vaderhart te ervaren.
Daar ontdek ik de kracht van zijn Geest die in mijn zwakheid, in mijn alles los
willen laten, openbaar wordt. Maar als ik Hem dan heb mogen leren kennen, als
ik in gemeenschap met Hem leef, woont Hij dus ook in mijn hart (omdat zijn
Woord rijkelijk in mij woont, steeds meer, Kolossenzen 3:16). En dan ontmoet ik
Hem dus overal, want Hij is overal, niet alleen in de Schriften.
Dat is ook wat ik in het artikel bedoelde met: ‘En hoe mooi en heerlijk het ook is
om ondergedompeld te worden in de schatten van de Schriften, Christus is een
grotere Schat’. Want Christus gaat de Schriften namelijk te boven. De
Schriften bevatten lang niet alles wat er over Hem te zeggen en te weten valt.
De ‘werkelijkheid’ van Jezus Christus is groter dan in woorden gevat kan worden
en ook groter dus dan de geopenbaarde woorden over Hem in de Schriften. In de
hemel en op de nieuwe aarde zullen ook de Schriften van voorbijgaande aard
blijken te zijn geweest.
Dat betekent beslist niet dat er buiten de Schriften om nu
dan nieuwe openbaringen mogelijk zouden zijn, waarin ik Hem anders zou leren
kennen dan Hij zich in de Schriften heeft geopenbaard, verre van dat! Voor het
leren kennen van Christus in zijn volheid ben ik principieel steeds weer
aangewezen op de normatieve openbaring in de Heilige Schrift.
Mijn zorg, en daarmee de achtergrond waartegen ik schrijf,
is vooral deze: kennen wij wel, vanuit de Schriften en de prediking (‘Klank’)
en vandaaruit ook in onze geloofsbeleving (‘Weerklank’), de volmaakte
heerlijkheid van Gods Zoon, zijn volkomenheid, zijn uitnemende eigenschappen, zijn
onvolprezen grootheid en genade? Worden er onder ons ook prekenseries gehouden
over bijvoorbeeld ‘De volmaakte volkomenheid van Christus als Gods Alles’ of
iets dergelijks? Ik ben wel eens bang dat prediking vaak niet veel verder komt
dan verantwoorde Schriftuitleg (hoewel ik ook wel eens geluiden opvang dat het
ook met de Schriftuitleg droevig is gesteld). En hoezeer die Schriftuitleg ook de vooronderstelling van alle prediking
is en blijft, het is zelf nog geen prediking. Prediking is per definitie
Christusprediking, expliciet.
Ik heb er veel moeite mee als predikanten in alle
oprechtheid de vraag ‘Maar moet Christus dan in elke preek expliciet genoemd
worden (ook in preken uit het OT)?’ met ‘Nee, dat hoeft niet’ beantwoorden.
Predikers zijn niet geroepen om de Schriften uit te leggen (als einddoel van de
prediking) maar om Christus te prediken als de Gekruisigde en Opgestane Heer
van ons leven en van deze wereld, en dat (uiteraard, hoe kan het anders!) op
basis van de Schriften. Want de bijbel normeert inderdaad mijn spreken op de
kansel.
Tenslotte: momenteel zijn we samen heftig op zoek naar een
antwoord op de vraag: ‘Wat is nu toch gereformeerd?’ Dit is gereformeerd:
Christus centraal stellen!
Dáár ging het toch om in de tijd van de Reformatie? Om
Christus alleen (solus Christus), om zijn kostbare genade alleen tot ons behoud
(sola gratia), om de Schrift alleen als het verlossende Woord van Christus
(sola scriptura), om het geloof in Hem alleen (sola fide), en dat allemaal alleen
tot eer, glorie en heerlijkheid van de drie-enige God (soli Deo gloria)?
Misschien is het in dit tijdsgewricht niet zozeer de vraag of
we gereformeerd moeten blijven, maar of we niet weer gereformeerd moeten
worden: terug naar de kern, terug naar Christus, terug naar de
gemeenschap met Hem, de moed hebben om deze zo eenvoudige en zo diepe woorden
volhardend te spellen, steeds maar weer, steeds maar weer opnieuw: ‘Komt allen
tot Mij’ (Matteüs 11:28).
Want alleen in de gemeenschap met onze Here Jezus Christus zullen
we ontvangen alles wat God ons belooft. Alleen vanuit deze kern, deze mystieke
kern, deze unio mystica cum Christo (gereformeerder kan het niet) zal al
het andere vanzelf op zijn plaats vallen.
Gereformeerd zijn is: in Christus blijven (Johannes 15:1-8).
Gereformeerd preken is: roepen tot de gemeenschap met Christus (1 Korintiërs
1:9).
Jos Douma