JOS DOUMA EN HERMAN SELDERHUIS IN GESPREK OVER DE GAVEN VAN
DE GEEST
CV-Koers juli 2004
De
Bijbel is duidelijk over de gaven van de Geest, vinden Jos Douma en Herman
Selderhuis. Toch maakt de groeiende aandacht voor de Geestesgaven verschillende
gevoelens bij hen los. Als het gaat om een visie op de charismata, is voor
Douma de onderliggende keuze van het hart bepalend: ,,Geven we ons met alles
aan Christus over of niet?” Herman Selderhuis kijkt vanuit de breedte van de
christelijke traditie aan tegen deze thematiek: ,,Als we elkaar de ruimte geven
en elkaar waar nodig corrigeren, is een gezond evenwicht mogelijk.”
In de serie over
de gaven van de Geest kwamen de afgelopen maanden verschillende gaven aan bod.
Wat leert de Bijbel over een specifieke gave, hoe functioneerde de gave in de
loop van de kerkgeschiedenis en wat betekent de gave vandaag de dag voor
iemands persoonlijke geloofsleven? Jos Douma en Herman Selderhuis volgden de
serie en geven hun reactie. Selderhuis: ,,Bij mij wekt zo’n serie niet meer
verlangen op naar meer van de Heilige Geest dan ik al had.” Douma: ,,Bij mij
juist wel!’’ De toon is gezet.
Douma,
predikant in de gereformeerde kerk (vrijgemaakt), kwam enige jaren geleden tot
een verdieping van zijn geloof: ,,Er is meer dan het kennen van Jezus als je
gekruisigde Verlosser. De Geest wil ons vervullen met de vólheid van Christus”
(zie het interview met hem in het februarinummer 2003). Vorig jaar en dit jaar
sprak hij op de landelijke conferentie van Gods
Geest werkt!, over hoe de Heilige Geest ons leven wil vernieuwen.
Selderhuis
is een kenner van de kerkgeschiedenis, specifiek van de Reformatie. Als
hoogleraar aan de theologische universiteit van de Christelijke Gereformeerde
Kerken is hij dagelijks bezig met ontwikkelingen op het terrein van het
christelijk geloof. Daar horen ook de gaven van de Geest bij en het verlangen
naar het werk van de Geest. ,,In de kerkgeschiedenis zie je waar de zaak
ontspoort, maar ook waar verarming optreedt. Dat maakt mij nuchter. Er is
weinig nieuws onder de zon en dat spoort aan en stelt gerust.” In 2002 schreef
Selderhuis een boekje dat inmiddels een tiende druk beleefde, Morgen doe ik het beter, gids voor gewone
christenen (zie het interview met hem in het decembernummer 2002). Het
boekje is een reactie op – en relativering van - de evangelicale aandacht voor
geloofsgroei, levensheiliging en vrucht van de Geest: je hoeft geen
‘superchristen’ te worden, gewoon geloven is goed genoeg.
Bijbelse gegevens
Een goede
visie op de gaven van de Geest berust allereerst op bijbelse gegevens. Zijn die
gegevens duidelijk of ontstaan de verschillen van inzicht meteen hier al?
Volgens Selderhuis en Douma is de Bijbel voldoende duidelijk. Douma: ,,De
nieuwtestamentische tijd wordt gekenmerkt door genezingen, door uitdrijving van
demonen, door de gaven die de Geest aan de gemeente schenkt. Het is een
veelkleurig gebeuren, waarin de Geest volop werkt. Maar lees wel goed hoe de
gaven van de Geest aan de orde komen. Je moet bijvoorbeeld onderscheid maken
tussen tongentaal zoals die in Handelingen 2 functioneert - tijdens de
uitstorting van de Heilige Geest - en later in de christelijke gemeente. In 1
Korintiërs 14 komt tongentaal voor als gebedstaal, als manier waarop je God
kunt prijzen. Dat is iets heel anders dan het spreken in buitenlandse talen,
waarop in Handelingen 2 de nadruk ligt”.
Selderhuis
beaamt dat de Schrift vrij duidelijk is over mogelijke gaven die de Geest
schenkt. ,,Maar het is de vraag hoe je het invult, hoe je het handen en voeten
geeft. In de loop van de kerkgeschiedenis zijn er allerlei splitsingen
ontstaan. Daardoor heeft bijvoorbeeld de ene kerkelijke groep meer het element
van het werk van de Geest aandacht gegeven, een andere meer aandacht voor het
Woord gevraagd, terwijl die elementen voorheen binnen de ene kerk te vinden
waren. Zo kun je nog meer dingen noemen, die samenhangen met de versplintering
van de Kerk. Als we nu met z’n allen in één kerk zouden zitten, zou die veelkleurigheid
weer aanwezig zijn die je ook in het Nieuwe Testament aantreft. Tegelijk zou je
elkaar binnen zo’n kerk kunnen corrigeren en daardoor een zeker evenwicht
handhaven. Nu de evangelische en charismatische groepen los functioneren van de
traditionele kerken vindt die wisselwerking niet meer plaats, men verrijkt
elkaar niet en men corrigeert elkaar niet. Belangrijk is wel dat die
veelkleurigheid ook ruimte biedt aan de ander. Niet iedereen hoeft de gaven van
de Geest te ervaren zoals jijzelf. Daarom ben ik niet jaloers op de geestelijke
ervaringen van de mensen uit de serie. Ik verlang niet naar wat zij hebben.
Neem bijvoorbeeld Dick van Keulen. Hij spreekt in tongen als hij ontdekt hoe
Gods genade in Christus openbaar is geworden. Als ik denk aan Gods genade voor
mij, heb ik niet de behoefte te gaan spreken of lofprijzen, maar word ik juist
stil. Beide reacties zijn mijns inziens bijbels.”
Verlangen naar meer
De gaven van de Geest staan vrij
nadrukkelijk op de agenda de laatste jaren. Hoe kan dit? Waarom is er opeens
hernieuwde aandacht voor?
Douma:
,,Als ik kijk naar de kerkelijke situatie, denk ik dat we in een andere tijd
leven dan pakweg vijftien of twintig jaar geleden. Er kon in het verleden
sprake zijn van een soort verengd blikveld. Je bent lid van je eigen kerk, je
kent de waarheid en dat is het dan. De laatste tijd is de blik van veel
kerkgangers breder geworden, bijvoorbeeld door allerlei internationale en
interkerkelijke contacten en door internet. Gereformeerde christenen komen zo
meer in aanraking met evangelische of charismatische invloeden. Men vraagt zich
af: wat is dit, is het bijbels? Dat is een nieuwe openheid. Men wil weten wat
er bijbels gezien over te zeggen valt, niet zozeer wat de Kerk erover beweert.”
Bij Douma
zelf ontstond ook het verlangen naar méér. Meer van de werking van Gods Geest,
meer doorbraak van Gods Koninkrijk. ,,Met Jezus’ komst, met Zijn lijden en
opstanding is een barrière weggenomen. Nu kan God echt goed aan het werk in
deze zondige wereld. Er kan nu op een veel rijkere manier sprake zijn van een
relatie met God. Ik heb daar heel sterk iets van geproefd toen ik een
conferentie van Willow Creek bezocht. Je voelde de kracht en de liefde die daar
heersten. Ik proefde daar iets van de volheid van de Geest, van de kracht en de
aanwezigheid van Jezus. Mijn eigen kerkelijke omgeving ervaar ik daarbij
vergeleken soms als vrij formeel en zakelijk.”
Selderhuis:
,,In de traditie van de gereformeerd-vrijgemaakte kerken, waarvan jij lid bent,
ligt er tamelijk grote nadruk op het rationele aspect van het geloof. Dat wordt
door leden van deze kerken ook gesignaleerd. In de brede bedding van de
reformatorische kerken zijn echter veel meer aspecten van het geloofsleven
verwoord of tot klinken gebracht. Ik denk bijvoorbeeld aan de bevindelijke
stroming, waarin vrij veel aandacht is voor de gevoelslaag van het
geloofsleven. Vreugde, berouw, verlangen, droefheid, het heeft allemaal een
plek in het geloofsleven, naast het verstandelijke. Ik denk dat we de brede
traditie van de kerken niet uit het oog moeten verliezen, maar juist moeten
gebruiken als oriëntatiepunt.”
Douma: ,,Ik
erken zeker dat in de ene kerkelijke stroming de nadruk meer ligt op het
rationele en in een andere richting meer op de gevoelens of de bevinding. Maar
ik denk niet dat je ‘tien keer gereformeerd’ bij elkaar kunt doen en dat er dan
een gezonde kerk ontstaat. Je kunt ook niet zeggen: als bijvoorbeeld de
christelijk-gereformeerden, de vrijgemaakten en de baptisten samengaan heb je
het ideale kerktype. Je kunt eindeloos met elkaar gaan praten en de zaak
benaderen vanuit tegenstellingen, zoals zo vaak gedaan wordt. Verstand staat
dan tegenover gevoel, het ‘nog niet’ tegenover het ‘al reeds’, Jezus en het
Kruis tegenover de Geest. Het enige juiste uitgangspunt voor een vernieuwing
van de Kerk en verlevendiging van het geloof is de persoonlijke verbondenheid
met Jezus Christus. In Jezus vinden we alles bijeen wat wij in discussies vaak
uit elkaar halen. Als het over Jezus gaat, hebben we het niet alleen over
kruis, vergeving en zwakheid. Dan gaat het meteen ook over de volheid die in
Hem te vinden is: glorie, opstandingskracht, vrede, vreugde en vervulling. Maar
ook leer je in de navolging van Hem je kruis op te nemen en ontstaat er een
besef van de ernst van de zonde, die juist in de persoonlijke verhouding met
Jezus zo pijnlijk wordt. Dit zie je ook terug bij de mensen die in deze
interviewreeks aan het woord komen. De relatie met God wordt intens beleefd, op
een persoonlijke en verdiepte wijze.”
Selderhuis:
,,Ik onderschrijf veel van wat Douma zegt, maar als ik deze interviews lees,
ontstaat er bij mij ook een verlangen naar meer ‘vrijgemaakt’. Ik bedoel
daarmee: een verlangen naar helder de zaken op een rij krijgen. Kijk, je komt
mensen tegen die vol zijn van God en zeggen: ‘God is de kracht waaruit ik leef
en Jezus is mijn vriend’. Dit kun je ‘persoonlijk’ noemen of voor mijn part
‘een intieme relatie’, maar ik heb daar toch wel vragen bij. Jezus is
allereerst de Verlosser en Zaligmaker van zondaren. Wie niet veel meer zegt
dan: ‘Jezus is mijn vriend’, moet volgens mij nog wel wat bijleren. Heel wat.
Ik zou niet alles op de kaart van gevoelens, persoonlijke relatie en dergelijke
willen zetten. Bovendien is bevinding nog heel wat anders dan ervaring.”
Douma:
,,Zoals jij het zegt, ligt de aloude tegenstelling weer op tafel: verstand en
gevoel. Dat is een onvruchtbare insteek. Ik denk dat alles zijn eenheid vindt
in de Persoon van Christus. De vraag is: willen we onszelf echt helemaal aan
Hem overgeven? Staan we ervoor open om de kracht van de Geest en Zijn
heerlijkheid te ervaren en bepalend te laten zijn in ons leven? In 2 Korintiërs
3:18 kun je lezen: ‘En wij allen, die met
een aangezicht, waarop geen bedekking meer is, de heerlijkheid des Heren
weerspiegelen, veranderen naar hetzelfde beeld van heerlijkheid tot
heerlijkheid, immers door de Here, die Geest is’. Wij veranderen dus van
heerlijkheid tot heerlijkheid! Dat aspect van voortgang en toenemende kennis en
verlichting door Gods Geest kun je toch niet wegmoffelen? Je kunt dan toch niet
zeggen: dat is mij te weinig verstandelijk, te veel gevoel? Het gaat juist om
de vraag: houd ik die werking van de Geest tegen of sta ik ervoor open?”
Persoonlijke toewijding
Moet een gelovige streven naar
bijvoorbeeld het spreken in tongen?
Douma:
,,Het gaat allereerst om de persoonlijke toewijding aan Jezus door de Heilige
Geest. Tongentaal interesseert me in dit kader eigenlijk helemaal niet zo.
Praten over tongentaal en andere ‘bijzondere’ gaven van de Geest is voor de
gevestigde kerken, voor traditionele gelovigen veelal een soort uitvlucht. Het
is een interessant discussiepunt, daarover kunnen we de meningen eens
uitwisselen. Maar je blijft zelf helemaal buiten schot. Daarom wil ik het
helemaal niet hebben over iets als tongentaal.”
Maar hoe denkt u dan over
tongentaal? Hoe kunnen we wat hierover is gezegd in de serie handen en voeten
geven?
Douma: ,,We
moeten niet voortdurend aan tongentaal of gebedsgenezing denken als het gaat om
de Geest. Ik wijs die gaven van de Geest niet af. Maar het is niet de kern van
de zaak. Het gaat om de eigen verbondenheid met Jezus. Voordat in
gereformeerd-vrijgemaakte of in reformatorische kring het vraagstuk van de
gaven van de Geest echt op tafel kan komen, moet we eerst eerlijk aan elkaar
vragen: hebben we een innerlijke bereidheid om Jezus werkelijk de hoogste
plaats in ons leven te geven? Het berusten in een bepaalde status quo, in
tevredenheid over het geestelijke leven, moet voorbij zijn. Daarom vind ik het
jammer dat van Herman Selderhuis’ boekje Morgen
doe ik het beter al tien drukken zijn verschenen. Met dat boek berusten
mensen heel gemakkelijk in de tekorten van hun geloofsleven. Ze worden niet
aangespoord om in de Geest van Christus te staan naar meer heiliging.”
Selderhuis:
,,Ik zou tongentaal of een andere gave ook niet verplicht willen stellen of er
de nadruk op leggen. Maar als het gaat om de toewijding aan Christus, zeg ik:
die kan er niet genoeg zijn in je leven. Noem het heiliging of geloofsgroei,
dat moet er zeker zijn. Stilstand is achteruitgang. Ik heb met mijn boekje
helemaal niet willen beweren dat het zo wel goed is, dat je niets hoeft in het
leven met God. Maar er zit ook een andere kant aan. Ik deel de zorg van Douma
dat m’n boekje zo goed loopt, in díe zin dat er blijkbaar duizenden zijn die
óók een verlangen hebben naar ‘meer’, maar dan naar meer rust in hun leven met
de HERE. Ik vind het zorgelijk dat er zo veel mensen zijn die zich opgejaagd
voelen, die een verplichting op hun schouders voelen drukken die ze niet waar
kunnen maken. Als zulke gevoelens dominant zijn in je geloofsleven, dan klopt
er iets niet. Voor zulke mensen benadruk ik: een christen is geen supermens,
maar een zondaar die mag leven van genade en van daaruit verder komt.”
,,Bovendien
vind ik”, vervolgt Selderhuis, ,,dat we af moeten van de gedachte dat wij als
gereformeerden iets missen, bijvoorbeeld beleving of gevoel, en dat we dat bij
de evangelischen moeten halen. Dat vind ik een misvatting. Wees
‘reformatorisch’, zou ik willen zeggen. De Reformatie richtte zich op Jezus
alleen, Diens genade alleen en het Woord alleen. Dan gaat het niet over
verstandskennis alleen, ook het hart is erbij betrokken. We moeten steeds terug
naar de Schrift, maar je moet niet doen alsof evangelischen iets bieden wat in
de gereformeerde traditie niet te vinden zou zijn.”
Uit de kerkhistorische bijdragen van
Robert Doornenbal bleek dat we gaven als het spreken in tongen, profetie en
genezing inderdaad ook terugvinden in de gereformeerde traditie. Spurgeon kreeg
‘woorden van kennis’ over mensen in zijn gehoor. In het maartnummer vertelt
Vineyard-voorganger Menno Helmus iets soortgelijks: in gebed krijgt hij
gezichten of namen, met een specifiek woord van God voor deze mensen. Gelooft u
dat God zo wil werken in onze tijd, en zo ja, zouden wij daar dan ook niet voor
open moeten staan?
Selderhuis:
,,Bij het lezen van het verhaal van Menno had ik verschillende gedachten. Voor
een deel gaat het om dingen die ik niet kan terugvinden in wat de Bijbel zegt
over de gaven van de Geest. Gaat het niet om vormen van openbaringen die
nauwelijks controleerbaar - laat staan corrigeerbaar - zijn? Met als gevaar dat
je het verwijt krijgt het werk van de Geest te weerstaan als je er kritisch
over bent?
Een andere
gedachte is dat het voor een belangrijk deel ook kan zijn dat je aanvoelt waar
een ander mee zit. Soms zie je aan mensen dat er iets niet goed is. Als je dit
‘aanvoelen’ in een pastorale context wilt zien als een gave die de Here
je geeft om een ander te helpen, dan heb ik daar geen moeite mee. Maar dan is
het ook een gave die God al heel lang aan de kerken heeft gegeven, en waar ook
zogenaamde traditionele kerken al eeuwenlang mee werken. Het lijkt me dan wel
goed om meer de nadruk te leggen op het feit dat God dit geeft, om te voorkomen
dat het iets wordt wat iemand ‘gewoon’ goed kan.’’
Douma: ,,Je
beroept je op de kerkgeschiedenis: ten tijde van de Reformatie is het allemaal
bijbels geweest. Goed, dat geloof ik ook. Maar ik constateer nu dat het goede
van toentertijd soms erg verwaterd is. Dat de kracht eruit lijkt te zijn. En
dan moet je niet alleen maar verwijzen naar de bronnen: ga die weer eens lezen.
Want als het in de boeken van toen staat, leeft het nog niet in de harten van
mensen van nu. We moeten leren om Christus helemaal te aanvaarden. De
Reformatie legde daar ook de nadruk op: totus
Christus, Christus hélemaal. Dus Zijn kruis, maar ook Zijn
opstandingskracht. Dan hebben we het meteen over de Geest. Ik denk dat we de
Geest en Christus veel meer in hun onderlinge verbondenheid moeten zien. Het is
een uitdaging om opnieuw de Bijbel te gaan lezen en die verbondenheid te
ontdekken.”