|
Hoe Persoonlijk
preken wij? Christus voorstellen in de
verkondiging Jos Douma Het is inmiddels twee jaar geleden
dat er zich in mijn kijk op preken een vrij radicale verandering heeft
voorgedaan. De uitkomst van die verandering breng ik graag zo op formule: aan
het begin van de preek staat niet een tekst, maar een Persoon: Jezus!
Uiteraard is er aan die verandering een proces voorafgegaan. Daarvan wil ik
hier graag iets met jullie delen, voordat ik de hoofdlijn van dit artikel
neerzet en uitwerk. Veni Creator Spiritus
In 2000 verscheen mijn dissertatie
met de titel ‘Veni Creator Spiritus. De meditatie en het preekproces’. In dat
boek heb ik geprobeerd de meer spirituele kant van het preekproces, die vorm
krijgt in met name de meditatie, te doordenken. Daarbij speelde theologisch
gezien de pneumatologie een heel belangrijke rol. Want prediking is een
gebeuren dat zich afspeelt in het krachtenveld van de heilige Geest. Dat ligt
ook verankerd in de belijdenis van Zondag 25 van de Heidelbergse Catechismus:
‘het geloof komt van de Heilige Geest, die het geloof in ons hart werkt door de
verkondiging van het heilig evangelie’. Zo wordt de prediking van Gods Woord
nadrukkelijk bestempeld als het werk van Gods Geest. In mijn dissertatie heb ik me zo
met huid en haar overgegeven aan een pneumatologische benadering van homiletiek
en prediking, dat onze collega Erik de Boer de vraag stelde: is de Geest
waarover je (prachtige dingen) schrijft, nog wel de Geest van Christus? Had je
je pneumatologische benadering ook niet weer moeten terugbuigen naar de
christologie? (Zie Pro Ministerio, juni 2001, blz. 8-10). Deze vraag heb ik me
zeer aangetrokken, mee omdat ik zelf na afronding van mijn studie ook al
rondliep met de gedachte en het gevoel dat er een grote eenzijdigheid in mijn
nadenken was gekomen. Deze eenzijdigheid had ik al enigszins proberen te
corrigeren door op het omslag van mijn dissertatie niet een afbeelding te
gebruiken die verwijst naar de heilige Geest (een vuurvlam bijvoorbeeld, of een
duif bijvoorbeeld), maar een icoon van Christus die met zijn rechterhand een
zegenend gebaar maakt en in zijn linkerhand een opengeslagen bijbel vasthoudt. Jezus Christus
Ook in mijn persoonlijke
spiritualiteit voltrok zich in de twee jaren na mijn promotie een ingrijpende
wending. Ik zocht naar een antwoord op de vraag: neemt Jezus Christus in mijn
geloven wel de plaats in die Hij bijbels gezien zou moeten innemen? Daarbij
speelde ook een vraag die Dietrich Bonhoeffer stelt in het boek Widerstand
und Ergebung een rol: ‘Wer ist Jesus Christus heute für uns?’ Al denkend en
biddend kwam ik tot de conclusie dat ik Christus eigenlijk alleen ‘op afstand’
had leren kennen. Dat had zeker ook te maken met de gereformeerd-vrijgemaakte
wereld waarin ik groot ben geworden en waarin mijn geloof is gevormd. Want als
ik voor mezelf naga hoe ik de vraag ‘Wie zegt gij dat Ik ben?’ van jongsaf heb
leren beantwoorden, dan springt sterk in het oog dat Christus Degene was die
aan het kruis is gestorven voor mijn zonden. God was een lange weg gegaan om te
komen tot het centrum van de heilsgeschiedenis: het kruis op Golgotha. Deze
Christus, die is opgestaan op de derde dag, is nu Degene die vol kracht en
macht als Koning zit aan Gods rechterhand. Hij regeert zijn Kerk, door Geest en
Woord. En Hij zal terugkomen op de dag der dagen, wanneer Hij verschijnen zal
op de wolken met grote macht en heerlijkheid. Al deze kostbare woorden heb ik me
toegeëigend: zo leerde ik Christus kennen. En toch bleef er een onvervuld
verlangen. Was deze Christus niet teveel een Christus-op-afstand? Een Christus
die toen-en-daar is gestorven en opgestaan, die nu ver boven ons is verheven in
de hemel, die straks zal weerkomen op de wolken. Ik zie dan een soort boog over
mijn leven: het beginpunt ligt vroeger, het hoogtepunt ligt boven in de hemel,
het eindpunt ligt later. Wat ik ten diepste miste was het persoonlijk kennen
van Jezus Christus, zoals Hij nu is, hier, voor mij. Gelukkig mocht het
gebeuren dat de ogen van mijn hart voor Hem open gingen, zoals eens bij de
Emmausgangers. En alles werd anders: de bijbel ging weer open en op (bijna)
elke bladzijde kwam ik Hem tegen, die de Afstraling van Gods heerlijkheid wordt
genoemd (Hebreeën 1:3). Christus preken
Tegen deze achtergrond veranderde
dus ook mijn kijk op preken. Waar ik verkondiging tot dan toe ten diepste toch
had verstaan als het uitleggen en praktisch toepassen van bijbelteksten
(waarvoor ik zelfs overigens als alternatief de term ‘uitvoeren van teksten’ smeedde),
leerde ik de prediking nu zien als prediking van de Christus. Preken is per
definitie Christus preken. Want aan het begin van de preek staat niet een
tekst, staat ook niet de bijbel. Maar de daad van de prediking begint bij mijn
roeping en mijn verlangen om Christus groot te maken, om zijn Naam bekend te
maken en om Hem in al zijn heerlijkheid voor ogen te schilderen. Zeker, ik doe
dat altijd op basis van bijbelteksten. In die zin heeft elke preek een tekst
(of eventueel een thema) als uitgangspunt. Maar daarmee begint het niet. Het
begint bij Jezus Christus. Want nu valt me ook op hoe pregnant in het Nieuwe
Testament gesteld wordt dat het erom gaat Christus te preken. Ik noem een
aantal bijbelplaatsen die dat duidelijk maken. ‘En Filippus opende zijn mond, en uitgaande van dat
schriftwoord, predikte hij hem Jezus’ (Handelingen 8:35). ‘Want ik had niet
besloten iets te weten onder u, dan Jezus Christus en die gekruisigd’ (1
Korintiërs 2:2). ‘Doch wij prediken een gekruisigde Christus, voor Joden een aanstoot,
voor heidenen een dwaasheid, maar voor hen, die geroepen zijn,
Joden zowel als Grieken, (prediken wij) Christus, de kracht Gods en de wijsheid
Gods’ (1 Korintiërs 2:23-24). ‘Want wij prediken niet onszelf, maar Christus
Jezus als Here, en onszelf als uw dienaren om Jezus’ wil’ (2 Korintiërs 4:5).
‘O, onverstandige Galaten, wie heeft u betoverd, wie Jezus Christus toch als
gekruisigde voor de ogen geschilderd is?’ (Galaten 3:1). ‘Christus onder u, de
hoop der heerlijkheid. Hem verkondigen wij, wanneer wij ieder mens
terechtwijzen en ieder mens onderrichten in alle wijsheid, om ieder mens in
Christus volmaakt te doen zijn’ (Kol 1:27-28). Al deze teksten maken in ieder
geval dit duidelijk: dat het er in de prediking om gaat dat de Persoon van
Jezus Christus wordt voorgesteld en verkondigd. Het diepste doel van alle
prediking is dat mensen Hem leren kennen en Hem leren volgen. Boekreligie
De vraag laat zich nu stellen hoe het kan dat dit voor mij
zo’n grote ontdekking was. Want dat was het! In mijn perceptie ging het in de
prediking toch eigenlijk altijd om teksten, om een boek: de bijbel. En
uiteraard spreek ik geen kwaad woord over de bijbel, want het is hét middel bij
uitstek om de Christus der Schriften te leren kennen. Maar – iets algemener nu
gesproken – bestaat er niet altijd het levensgrote gevaar dat we geloven in een
boek in plaats van in een Persoon? Veel gelovigen vinden het heerlijk om meer
kennis op te doen over de bijbel en verwachten dat eigenlijk ook van de
verkondiging. Zo kom ik regelmatig mensen tegen die het prachtig vinden om
allerlei dwarsverbanden in de bijbel aangewezen te krijgen (en dat is ook
prachtig!) maar die toch wat verbaasd opkijken als ik met hen wil spreken over
hun persoonlijke relatie met Christus Jezus. In ieder geval heb ik ook dit geleerd: het christelijk
geloof is geen boekreligie! Christelijk geloven is naar zijn wezen door-en-door
Persoonlijk van aard. Heel de bijbel, heel het evangelie, heel het Woord van
God is samen te vatten in die ene naam die God onder de hemel heeft gegeven tot
ons behoud: Jezus Christus (Handelingen 4:12) . Sinds enige tijd dringt bij mij
zich daarom de gedachte op, steeds sterker, dat op een of andere manier het
reformatorische solus Christus en het reformatorische sola scriptura
met elkaar verward zijn. Dat wil ik graag iets verder uitwerken. Vijf
sola’s
Groot geworden in de gereformeerde traditie, ben ik
vertrouwd geraakt met de drie sola’s: sola fide (alleen door geloof), sola
gratia (alleen door genade) en sola scriptura (alleen de Schrift).
Ik kende ook wel het soli Deo gloria (aan God alleen de eer). Maar van
het solus Christus hoorde ik pas voor het eerst, toen ik het prachtig
boekje las dat prof. dr. W. van ’t Spijker heeft geschreven: Gemeenschap met
Christus. Centraal gegeven van de gereformeerde theologie (Kok Kampen
1995). Daarin spreekt hij op een gegeven moment over het samengaan van de
zogenaamde particulae exclusivae op zo’n manier dat er ‘een drieklank
ontstaat die men kan omkeren en nog eens omkeren, terwijl de grondtoon gelijk
blijft. En de grondtoon is die van de Christus alleen, samen met de van de
Christus geheel en al’ (blz. 48). Het solus Christus als grondtoon dus
van de bekende drie sola’s, waarbij dan ook het totus Christus
een belangrijke rol speelt (daar kom ik zodadelijk nog op terug). Er blijken nu dus in totaal vijf sola’s te zijn.
Wellicht dat dat een meer Lutherse lijn is in de gereformeerde traditie, een
lijn waarmee ik minder vertrouwd ben gemaakt. Nu zou ik de suggestie willen
doen dat deze vijf sola’s op een bepaalde manier met elkaar samenhangen:
ze staan niet zonder meer naast elkaar maar er zit een bepaalde theologische
orde in. Dat is als volgt in beeld te brengen:
Op deze wijze worden de vijf kernen van reformatorisch
geloven in een zinvolle samenhang gezet. Alles begint altijd bij Jezus Christus
en alles is altijd gericht op de verheerlijking van God. Dat lijkt me ook een
goede uitwerking van dit bijbelwoord: ‘Daarom heeft God Hem ook uitermate
verhoogd en Hem de naam boven alle naam geschonken, opdat in de naam van Jezus
zich alle knie zou buigen van hen, die in de hemel en die op de aarde en die
onder de aarde zijn, en alle tong zou belijden: Jezus Christus is Here, tot eer
van God, de Vader!’ (Filippenzen 2:9-11). Boek-prediking?
Terug nu naar de preek. Het verhaal dat ik hier wil
vertellen gaat eigenlijk uit van de gedachte dat veel prediking gestempeld
wordt door het sola scriptura zonder voldoende recht te doen aan het solus
Christus. Wanneer vergeten wordt dat het er in de prediking ten diepste
niet om gaat dat de gemeente meer inzicht ontvangt in de Schriften, maar om een
levensveranderende ontmoeting met de opgestane Heer, bestaat het gevaar dat
prediking verwordt tot boek-prediking in plaats van Christus-prediking. Met als
logisch gevolg dat de hoorders van de prediking worden gestimuleerd in een
boek-geloof in plaats van een Christus-geloof. In mijn boekje Op het spoor van
meditatie. Biddend luisteren naar Gods Woord (Kok Kampen 2002) schreef ik
daarover het volgende: ‘Het christelijk geloof is geen boekgeloof, maar geloof
in een Levende persoon met wie we in gemeenschap mogen leven. Deze persoon komt
door het Woord van de Schrift dat in de bijbel is geboekstaafd naar ons toe. Ik
vind het erg belangrijk om dat te benadrukken: christenen vereren geen boek (de
bijbel) maar waarderen de bijbel als een geweldig geschenk van de hemelse God
waardoor de openbaring van zijn Zoon tastbaar en concreet wordt voor alle
eeuwen. Christen zijn betekent niet: je houvast vinden in de bijbel, maar
Christus volgen die we door middel van de bijbel leren kennen. Christen zijn
betekent niet: leven vanuit de bijbel, maar leven van genade en van de kracht
van Christus die ons in de bijbel geopenbaard worden. Christen zijn betekent
niet: steeds meer weten over de bijbel, maar luisteren naar de Stem van
Christus die tot klinken komt als we de Schriften openen’ (blz. 57). Christ-centred
Voor een
gezonde visie op bijbelse Christus-prediking is het nu wel van wezenlijk belang
om onder woorden te brengen welke plaats de Persoon van Jezus Christus
enerzijds en de Schriften anderzijds hebben in de verkondiging. Zelf werk ik
graag met de volgende drie hoofdkenmerken voor de prediking. De prediking van
het evangelie moet zijn:
Ik gebruik hier engelse termen omdat die wat pregnanter
zijn, maar in gewoon Nederlands klinkt het zo: preken moeten in de eerste
plaats geconcentreerd zijn op Jezus Christus, in de tweede plaats gebaseerd op
de bijbel en in de derde plaats georiënteerd op de praktijk. Het laatste
kenmerk, waarin de thematiek van de praktische relevantie van alle verkondiging
wordt aangeduid, blijft nu verder buiten beschouwing. De termen Christ-centred en bible-based helpen
opnieuw om de mijns inziens verwarrende en onjuiste verwisseling van het sola
scriptura en het solus Christus onder woorden te brengen. Ik zou de
stelling wel willen verdedigen dat veel prediking wellicht bible-centred
en Christ-based is te noemen. In veel preken die ik hoor of lees, zie ik
precies dat gebeuren: er is grote zorgvuldigheid in het omgaan met de
bijbeltekst die gekozen is om over te preken, die staat centraal in de
verkondiging, maar de verkondiging van de levende Christus komt er bekaaid af.
Zeker, Hij wordt wel genoemd, maar Hij is zeker niet Gezichtsbepalend voor de
prediking. Iemand heeft het eens zo gezegd: In many sermons Christ is the
frame, not the picture. Dat drukt precies de problematiek uit waar het me
om gaat. Want het gaat er niet om dat in de prediking Christus (natuurlijk) ook
genoemd wordt, maar dat alle prediking bij voorbaat niets anders wil dan
Christus voor ogen schilderen. Uiteraard begrijp ik dat dat een theologisch uitgangspunt is
en dat daar ook een keuze achter schuil gaat. Ik kies ervoor om in het spoor
van Paulus te zeggen en dat ook zeer concreet toe te passen in de prediking:
‘Ik had niet besloten iets te weten onder u, dan Jezus Christus, en die
gekruisigd’ (1 Korintiërs 2:2). Deze prediking gebeurt in het algemeen
gesproken op basis van de bijbel, concreet door elke preek in te zetten met een
bijbeltekst om over te preken. Maar daarmee komen we dan al direct in de
concrete preekpraktijk waar het wellicht niet altijd even eenvoudig is om recht
te doen aan het gekozen theologisch uitgangspunt. Hoe preek je Christ-centred
over het Oude Testament? Nog wat concreter: hoe preek je Christ-centred
over het boek Prediker of Ruth? Wordt het al niet gauw gekunsteld om Christus
ter sprake te brengen waar Hij in de tekst evident niet ter sprake komt? Op
deze serieuze vragen wil ik hier, bij wijze van excurs, een aanzet voor een
antwoord geven. Christocentrisch preken over het Oude Testament? Kun je nog wel preken over het Oude Testament als prediking
per definitie Christusprediking moet zijn? Heeft de benadering die ik hier kies
niet onontkoombaar als gevolg dat het Oude Testament in de prediking buiten
beeld raakt? Laat me vijf opmerkingen mogen maken. Opmerking 1: achter de vraagstelling gaat naar mijn indruk
toch de impliciete vooronderstelling schuil dat ik als prediker de bijbel moet
preken. En dat ik dus in mijn prediking op evenwichtige wijze het Oude en
Nieuwe Testament moet opendoen. In de preekbespreking die in de kerkenraad wel
plaats vindt, is dat ook een van de ijkpunten: hoe vaak wordt er uit het Oude
Testament gepreekt? En als dan blijkt dat dat beduidend minder is dan uit het
Nieuwe Testament, dan wordt daar wel de vinger bij gelegd. Nu is het zonneklaar
dat het Nieuwe Testament, en daarmee Jezus Christus, niet te begrijpen is
zonder het Oude Testament als achtergrond. Het is ook helder dat heel het Oude
Testament heenwijst naar Christus, maar dat dat niet op elke bladzijde even
duidelijk is. Verder zegt het Nieuwe Testament ook dat ‘de heilige schriften
wijs kunnen maken tot zaligheid’ en dat ‘elk van God ingegeven Schriftwoord
nuttig is om te onderrichten’ (2 Timoteüs 3:15-17). Tegelijk mag de vraag
gesteld worden of we binnen het homiletische nadenken over de tekstkeuze
voldoende verwerken dat het Nieuwe Testament glashelder is over de meerdere
glorie van het nieuwe verbond, bijvoorbeeld in 2 Korintiërs 3 (‘Want als het
verdwijnende met heerlijkheid gepaard ging, veel meer is dan het blijvende in
heerlijkheid’) en in Hebreeën 8 (‘Als Hij spreekt van een nieuw verbond, heeft
Hij daarmee het eerste voor verouderd verklaard. En wat veroudert en verjaart
is niet ver van verdwijning’). En ik mag hier ook wel verwijzen naar artikel 25
van de Nederlandse Geloofsbelijdenis: Wij
geloven dat de schaduwachtige eredienst van het oude verbond en de gebruiken
die door de wet waren voorgeschreven, met de komst van Christus afgedaan hebben
en dat zo aan al deze schaduwen een einde is gekomen. Daarom moeten de
christenen die niet langer handhaven. Toch blijft voor ons de waarheid en de
inhoud ervan in Christus Jezus, in wie zij hun vervulling hebben. Wel maken wij
nog gebruik van de getuigenissen uit de Wet en de Profeten, om ons in het
Evangelie te bevestigen en ook om overeenkomstig Gods wil ons leven in alle
eerbaarheid in te richten tot zijn eer. Voorwaar, dat is toch een heel boeiend stukje confessie om
eens goed te doordenken vanuit een homiletisch perspectief! Opmerking 2: Ik ben niet allereerst geroepen om als
Schriftgeleerde de kansel op te gaan, maar als Christusgelovige. Mijn missie
is: Jezus Christus prediken. En het Nieuwe Testament biedt daarvoor zoveel stof
dat ik daar in het korte bestek van een predikantenleven nooit mee klaarkom.
Waarom moet ik me dan ‘in bochten wringen’ om toch ook evenveel recht te doen
aan prediking over het Oude Testament? Opmerking 3: Voordat je nu wellicht erg ongerust wordt,
vertel ik graag dat ik voor de prediking zeer regelmatig teksten uit het Oude
Testament kies. In november 2003 heb ik een serie van vier preken over Amos
gehouden. Ik heb in het najaar ook een prekenserie gehouden over Gods
heerlijkheid (die wij nu zien in het aangezicht van Christus!) waarbij ik koos
voor onder andere Exodus 33:18 en Ezechiël 1:28. En komende zondag, de zondag
dus die volgt na het schrijven van dit artikel, preek ik over Exodus 15:26:
‘Ik, de Here, ben uw
Heelmeester’. Een cruciale gedachte
voor die preek, en ook voor veel andere preken uit het Oude Testament is deze:
de God die Zich in het Oude Testament openbaart als Jahweh, leren we in het
Nieuwe Testament in Jezus kennen. In dit geval is dat ook glashelder: Christus
is onze Geneesheer, Hij sterft voor mijn zonden en heelt al mijn wonden. En die
gedachte - en de praktische implicaties daarvan voor mijn omgang met gewonde
gevoelens bijvoorbeeld! - bewaar ik werkelijk niet voor het slot van de
preek. Opmerking 4: Als ik zou preken over een van de Spreuken uit
het Spreukenboek, om het even welke praktische wijsheid ik ook zou uitkiezen,
zou ik dat niet kunnen en niet willen anders dan door in te zetten (in de
preekvoorbereiding en wellicht ook in de preek) met de gedachte die verwoord
wordt in Kolossenzen 2:3: ‘Alle schatten van wijsheid en kennis zijn verborgen
in Christus.’ Als stelregel voor de tekstkeuze uit het Oude Testament zou ik
dan willen formuleren: als ik in mijn voorbereidingen niet binnen vijf minuten
voor mezelf kan aangeven hoe ik vanuit deze tekst de Persoon van Christus ter
sprake kan brengen (want dat wil ik en dat moet ik), dan moet ik over deze
tekst niet gaan preken. Het gaat mij er daarbij dus niet om dat ik Christus ín
de tekst moet vinden, dat ik al exegetiserend bij Hem uitkom (zodat ik alleen
kan preken datgene in de bijbel ‘was Christum treibet’). Het gaat erom dat er
in de tekst een werkelijkheid wordt aangeraakt die ik ten diepste alleen in Christus
kan leren kennen. Opmerking 5: Wanneer je als prediker bezig bent met het
voorbereiden van een preek over het Oude Testament, en je hebt het gevoel dat
je, wil je Christus preken, ‘Jezus er aan de haren bij moet slepen’, dan moet
je jezelf denk ik twee vragen stellen. ‘Ga ik zondag eigenlijk wel de kansel op
met in mijn hart als diepste verlangen om Christus voor te stellen?’ ‘Zijn er
misschien ook gewoon teksten die wel geschikt zijn voor een bijbelstudie maar
niet voor op de kansel, en is deze tekst daar een van?’ Deze opmerkingen vormen geen afgerond en uitgebalanceerd
verhaal. Mij gaat het erom een bepaalde vanzelfsprekendheid ten aanzien van de
plicht om over heel het Oude Testament te moeten (kunnen) preken te doorbreken
en om te verhelderen dat er een belangrijk verschil is tussen Bible-centred en
Christ-centred preken. Christus
semper maior
Terug nu naar de hoofdlijn van mijn verhaal: Zit je niet op
een smal-spoor als je in elke preek de Persoon van Jezus Christus wilt
verkondigen? Betekent dat niet een te eenzijdige gerichtheid op het
persoonlijke heil van de hoorders met een voorbijzien van de veel bredere
actieradius van de Schriften en van de veel grotere complexiteit van het leven
in deze maatschappij? Dit is het moment om terug te komen op die andere
reformatorische uitdrukking die al even aan de orde kwam: naast het solus
Christus is er ook het totus Christus. De bezorgdheid dat een
radicale Christus-prediking wel vooral, heel eenzijdig, zal gaan over het
persoonlijke zieleheil, wordt weggenomen op het moment dat we zien dat het gaat
om de verkondiging van Christus alleen, maar dan wel Christus geheel en al.
Christus is groter dan de evangelieverhalen over Hem. Christus is groter dan
het kruis waaraan Hij stierf. Christus is groter dan mijn hart. Christus is
groter dan de kerk. Christus is ook groter dan de Schriften. Zegt Johannes het
ook niet aan het einde van zijn evangelie: ‘Er zijn echter nog vele andere
dingen, die Jezus gedaan heeft; indien deze één voor één beschreven werden, dan
zou, naar ik meen, de wereld zelf de boeken, die geschreven werden, niet kunnen
bevatten (Johannes 21:25)? En dan gaat het alleen nog om wat Jezus deed toen
Hij op aarde was. Maar wie de brieven van Paulus op zich laat inwerken en wie
de Openbaring van Johannes doorkruipt met het oog gericht op Christus moet wel
onder de indruk komen van de onnaspeurlijke rijkdom van de Zoon van God
(Efeziërs 3:8). Om het ook maar even te zeggen in het Latijn: Christus
semper maior. Een Christus-prediking waarin déze Christus wordt
voorgesteld aan de gemeente kan nooit op een smalspoor raken of saai zijn. Want
dat laatste zeggen mensen wel eens: ‘Wordt het niet saai in de kerk als het
altijd over Christus gaat? Is het niet beter om je te richten op de rijkdom van
de Schrift?’ Ik begrijp die vraag wel, maar vaak wordt die gesteld vanuit het
verlangen om vooral lijnen in de Schrift te zien lopen, verbanden te ontdekken
die nog nooit waren opgemerkt. En hoe mooi en heerlijk het ook is om
ondergedompeld te worden in de schatten van de Schriften, Christus is een
grotere Schat. Hem leren we kennen door – inderdaad – volhardend en
nieuwsgierig de Schrift te spellen, maar ook door Hem te ontmoeten in
aanbidding en lofprijzing, in gebed en meditatie, in de diepte van mijn twijfel
en mijn zondig hart, in het aangezicht van armen en verdrukten, in het lawaai
van de stad, in de zon die opgaat in de vroege morgen en in de stilte van een
winteravond in Bloemendaal aan Zee. De
glorie van Christus
Het totus Christus dat ik in gedachten heb als ik
pleit voor een radicale Christus-prediking zie ik vooral in het bijbelse
spreken over de ‘heerlijkheid van Christus’. In deze glorie van de Zoon hebben
we met niets anders te maken dan de heerlijkheid van God zelf. ‘Deze, de afstraling
zijner heerlijkheid en de afdruk van zijn wezen, die alle dingen draagt door
het woord zijner kracht, heeft, na de reiniging der zonden tot stand gebracht
te hebben, Zich gezet aan de rechterhand van de majesteit in den hoge, zóveel
machtiger geworden dan de engelen, als Hij uitnemender naam boven hen als
erfdeel ontvangen heeft’ (Hebreeën 1:3-4). ‘Hij (de Zoon van Gods liefde) is
het beeld van de onzichtbare God, de eerstgeborene der ganse schepping’
(Kolossenzen 1:15). ‘Want de God, die gesproken heeft: Licht schijne uit het
duister, heeft het doen schijnen in onze harten, om ons te verlichten met de
kennis der heerlijkheid Gods in het aangezicht van Christus’ (2 Korintiërs
4:6). John Piper schrijft in zijn kostelijke boekje Jezus zien
en ervaren en intens van Hem genieten (Gideon Hoornaar, 2003) onder andere
dit: ‘Jezus Christus is de Schepper van het heelal. Jezus Christus is de Alfa
en de Omega, de eerste en de laatste. Jezus Christus, als Persoon, heeft geen
begin. Hij is de absolute Realiteit. Hij heeft de ongeëvenaarde eer en unieke
heerlijkheid dat Hij er het eerst is en er altijd zal zijn. Hij is nooit
ontstaan. Hij is geboren van eeuwigheid. De Vader heeft Zich van eeuwigheid
verheugd in ‘de uitstraling van zijn heerlijkheid en de afdruk van zijn
wezen’(Hebreeën 1:3) in de Persoon van zijn Zoon. Deze heerlijkheid zien en
ervan genieten, dat is het doel van onze verlossing. ‘Vader, wat U Mij gegeven
hebt – Ik wil, dat waar Ik ben, ook zij bij Mij zijn, opdat zij mijn
heerlijkheid aanschouwen die U Mij gegeven hebt’ (Johannes 17:24). We zijn
geschapen en verlost met het doel dat we ons hierin eeuwig zouden verblijden’
(blz. 28-29). Persoonlijk preken: Christus voorstellen
Hoe Persoonlijk preken wij? Dat is
de vraagstelling die boven dit artikel staat. De eerste betekenis van
‘Persoonlijk preken’ is dus: dat de Persoon van Jezus Christus in al zijn
heerlijkheid (dat is in zijn goddelijkheid en menselijkheid tegelijk, in zijn
kracht en zwakte tegelijk, in zijn rechtvaardigheid en barmhartigheid tegelijk,
als Leeuw en Lam tegelijk enzovoort) wordt verkondigd in de gemeente. Zijn onze
preken toch niet te vaak en te veel tekstueel? Nogmaals: uiteraard gaat het mij
om bijbelse prediking, en dat is een prediking die algemeen gesproken uitgaat
van een bijbeltekst, maar dan toch altijd opnieuw vanuit het verlangen om
Christus voor ogen te schilderen. En dan betekent ‘persoonlijk
preken’ ook nog: dat we onszelf niet buiten beschouwing laten, als waren we
slechts doorgeefluik. Zo heeft God het niet bedoeld: Hij heeft ons niet alleen
gelaten met een boek, maar roept mensen om vanuit hun eigen persoonlijke
verbondenheid met Christus het Woord te nemen, te gaan staan in de Geest en het
evangelie bevlogen en bewogen te vertolken voor mensen van nu. En dan zie ik
het beeld van Paulus voor me, met zijn tomeloze passie voor Christus (zie
Filippenzen 3:7-14). Hij kwam niet met schittering van (al te menselijke)
woorden en met meeslepende woorden van (menselijke) wijsheid, ‘maar met betoon
van Geest en kracht’ (1 Korintiërs 2:4). In zijn voetspoor hebben we als
predikers ook nu de missie: Christus voorstellen aan de gemeente. De
uitdrukking ‘Christus voorstellen’ ontleen ik aan een boekje van Koos van Loo
met dezelfde titel (Christus voorstellen. De gemeente van Christus redt
levens in een postmoderne tijd, Kok Kampen 2001). Prachtig wordt hierin
duidelijk dat het zowel om woorden als om daden gaat. Veelal wordt de prediking
toch als een haast uitsluitend verbaal gebeuren ervaren. Maar ‘het Woord is
vlees geworden’ (Johannes 1:14). En dat betekent voor ons als predikers van het
evangelie dat we Christus niet alleen met onze (preek)woorden maar ook met onze
houding, onze persoonlijke betrokkenheid, onze leefwijze moeten bekend maken.
Hier speelt, meer nog dan onze bijbelse en theologische kennis van zaken, de
vrucht van de Geest een rol, die zo uitnemend zichtbaar was in het leven van
Christus en zichtbaar is in de levende Christus: ‘liefde, blijdschap, vrede,
lankmoedigheid, vriendelijkheid, goedheid, trouw, zachtmoedigheid,
zelfbeheersing’ (Galaten 5:22). Het boek van Koos van Loo zet in met een gedicht van een
onbekende auteur. De eerste drie regels ervan (ik lees ze vanuit het
perspectief van de kerkganger) wil ik als prediker van Gods evangelie graag
diep in mijn hart laten binnenkomen: Weet
je wel begrijp
je wel dat
je het beeld van Jezus voor me bent? |