Heidelbergse Catechismus Zondag 45 tot 52

Het Gebed


Zondag 45

Vraag 116:

Waarom is het gebed voor de christenen noodzakelijk?

Antwoord:

Omdat het gebed het voornaamste is in de dankbaarheid die God van ons eist1; bovendien wil God zijn genade en zijn Heilige Geest alleen geven aan hen die van harte en zonder ophouden Hem daarom bidden en daarvoor danken2.

1 Ps. 50:14, 15. 2 Mat. 7:7, 8; Luc. 11:9, 10; 1Tes. 5:17, 18.
Vraag 117:

Wat behoort tot een gebed dat God aangenaam is en door Hem verhoord wordt?

Antwoord:

Ten eerste dat wij alleen de enige ware God, die Zich in zijn Woord aan ons geopenbaard heeft1, van harte aanroepen2 om alles wat Hij ons geboden heeft te bidden3.
Ten tweede dat wij onze nood en ellende grondig kennen4, om ons voor het aangezicht van zijn majesteit te verootmoedigen5.
Ten derde dat wij deze vaste grond hebben6, dat Hij ons gebed, al zijn wij dat niet waard, om Christus' wil zeker verhoren wil7, zoals Hij ons in zijn Woord belooft heeft8.

1 Joh. 4:22-24; Opb. 19:10. 2 Ps. 145:18-20; Jak. 4:3, 8. 3 Rom. 8:26; Jak. 1:5; 1Joh. 5:14. 4 2Kron. 20:12; Ps. 143:2. 5 Ps. 2:11; Ps. 51:19; Jes. 66:2. 6 Rom. 8:15, 16; 10:14; Jak. 1:6-8. 7 Dan. 9:17-19; Joh. 14:13, 14; Joh. 15:16; 16:23. 8 Ps. 27:8; 143:1; Mat. 7:8.
Vraag 118:

Wat heeft God ons bevolen in ons gebed van Hem te vragen?

Antwoord:

Alles wat wij voor lichaam en ziel nodig hebben1, zoals de Here Christus dat samenvatte in het gebed dat Hij zelf ons geleerd heeft.

1 Mat. 6:33; Jak. 1:17.
Vraag 119:

Hoe luidt dat gebed?

Antwoord:

Onze Vader, die in de hemelen zijt,
uw naam worde geheiligd;
uw koninkrijk kome;
uw wil geschiede, gelijk in de hemel alzo ook op de aarde.
Geef ons heden ons dagelijks brood;
en vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren;
en leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze.
Want van U is het koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid tot in eeuwigheid. Amen.

Matteüs 6:9-13; Lucas 11:2-4.


Zondag 46

Vraag 120:

Waarom heeft Christus ons geboden God aan te spreken als: Onze Vader?

Antwoord:

Christus wil reeds bij het begin van ons gebed in ons het kinderlijk ontzag en vertrouwen jegens God wekken, waarop ons gebed gegrond moet zijn.
God is immers door Christus onze Vader geworden en Hij zal ons nog veel minder onthouden wat wij met waar geloof van Hem vragen, dan onze vaders ons aardse dingen weigeren1.

1 Mat. 7:9-11; Luc. 11:11-13.
Vraag 121:

Waarom wordt hieraan toegevoegd: die in de hemelen zijt?

Antwoord:

Daarmee leert Christus ons over de hemelse majesteit van God niet aards te denken1, en van zijn almacht alles te verwachten wat wij voor lichaam en ziel nodig hebben2.

1 Jer. 23:23, 24; Hand. 17:24-27. 2 Rom. 10:12.

Zondag 47

Vraag 122:

Wat is de eerste bede?

Antwoord:

Uw naam worde geheiligd.
Dat wil zeggen:
Geef ons eerst dat wij U naar waarheid kennen1 en U heiligen, roemen en prijzen in al uw werken2, waarin uw almacht, wijsheid, goedheid, gerechtigheid, barmhartigheid en waarheid glansrijk stralen.
Geef ons ook dat wij ons hele leven - onze gedachten, woorden en werken - daarop richten, dat uw naam om ons niet gelasterd, maar geëerd en geprezen wordt3.

1 Ps. 119:105; Jer. 9:24; 31:33, 34; Mat. 16:17; Joh. 17:3; Jak. 1:5. 2 Ex. 34:6, 7; Ps. 119:137, 138; 145:8, 9; Jer. 31:3; 32:18, 19; Mat. 19:17; Luc. 1:46-55; 1:68, 69; Rom. 3:3, 4; 11:22, 23; 11:33. 3 Ps. 71:8; 115:1; Mat. 5:16.

Zondag 48

Vraag 123:

Wat is de tweede bede?

Antwoord:

Uw koninkrijk kome.
Dat wil zeggen:
Regeer ons zo door uw Woord en Geest, dat wij ons steeds meer aan U onderwerpen1;
bewaar en vermeerder uw kerk2;
verbreek de werken van de duivel en alle macht die tegen U opstaat; verijdel ook alle boze plannen die tegen uw heilig Woord bedacht worden3;
totdat de volmaaktheid van uw rijk komt4, waarin U alles zult zijn in allen5.

1 Ps. 119:5; 143:10; Mat. 6:33. 2 Ps. 51:20; 122:6, 7. 3 Rom. 16:20; 1Joh. 3:8. 4 Rom. 8:22, 23; Opb. 22:17, 20. 5 1 Kor. 15:28.

Zondag 49

Vraag 124:

Wat is de derde bede?

Antwoord:

Uw wil geschiede, gelijk in de hemel alzo ook op de aarde.
Dat wil zeggen:
Geef dat wij en alle mensen onze eigen wil verloochenen1 en uw wil, die alleen goed is, zonder enig tegenspreken gehoorzaam zijn2, zodat een ieder zijn taak waartoe hij geroepen is, even gewillig en trouw vervult3 als de engelen in de hemel doen4.

1 Mat. 16:24; Tit. 2:11, 12. 2 Luc. 22:42; Rom. 12:2; Ef. 5:10. 3 1Kor. 7:22-24. 4 Ps. 103:20, 21.

Zondag 50

Vraag 125:

Wat is de vierde bede?

Antwoord:

Geef ons heden ons dagelijks brood.
Dat wil zeggen:
Wil ons zó verzorgen met alles wat wij voor ons lichaam nodig hebben1, dat wij daardoor erkennen dat U de enige oorsprong van al het goede bent2 en dat onze zorg en inspanning en ook uw gaven ons niet baten zonder uw zegen3.
Leer ons daardoor ook ons vertrouwen niet langer op enig schepsel, maar op U alleen te stellen4.

1 Ps. 104:27, 28; 145:15, 16; Mat. 6:25, 26. 2 Hand. 14:17; 17:27, 28; Jak. 1:17. 3 Deut. 8:3; Ps. 37:3-7, 16, 17; 127:1, 2; 1Kor. 15:58. 4 Ps. 55:23; 62:11; 146:3; Jer. 17:5, 7.

Zondag 51

Vraag 126:

Wat is de vijfde bede?

Antwoord:

En vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren.
Dat wil zeggen:
Wil ons, arme zondaren, om het bloed van Christus geen van onze misdaden toerekenen en ook niet de slechtheid die altijd nog in ons is1, zoals wijzelf ook als een bewijs van uw genade in ons opmerken, dat wij het vaste voornemen hebben onze naaste van harte te vergeven2.

1 Ps. 51:3; 143:2; Rom. 8:1; 1Joh. 2:1. 2 Mat. 6:14, 15.

Zondag 52

Vraag 127:

Wat is de zesde bede?

Antwoord:

En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze.
Dat wil zeggen:
Wij zijn van onszelf zó zwak, dat wij zelfs geen ogenblik kunnen standhouden1, en bovendien houden onze doodsvijanden - de duivel2, de wereld3 en ons eigen vlees4 - niet op ons aan te vechten.
Daarom bidden wij U: wil ons toch staande houden en sterken door de kracht van uw Heilige Geest, zodat wij in deze geestelijke strijd niet het onderspit delven5, maar altijd krachtig tegenstand bieden, totdat wij uiteindelijk de volkomen overwinning behalen6.

1 Ps 103:14-16; Joh. 15:5. 2 Ef. 6:12; 1Pet. 5:8. 3 Joh. 15:19. 4 Rom. 7:23; Gal. 5:17. 5 Mat. 26:41; Mar. 13:33; 1Kor. 10:12, 13. 6 1Tes. 3:13; 5:23.
Vraag 128:

Waarmee beëindigt u uw gebed?

Antwoord:

Want van U is het koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid tot in eeuwigheid.
Dat wil zeggen:
Dit alles vragen wij van U, omdat U ons al het goede wilt en kunt geven, want U bent onze Koning en hebt alle dingen in uw macht1.
Wij bidden U dit, opdat daardoor niet aan ons maar aan uw heilige naam eeuwig lof wordt toegebracht2.

1 1Kron. 29:10-12; Rom. 10:11-13; 2Pet. 2:9. 2 Ps. 115:1; Jer. 33:8, 9; Joh. 14:13.
Vraag 129:

Wat betekent het woord: Amen?

Antwoord:

Amen wil zeggen: Het is waar en zeker.
Want God heeft mijn gebed veel stelliger verhoord, dan ik in mijn hart voel dat ik dit van Hem begeer1.

1 2Kor. 1:20; 2Tim. 2:13.


Deze tekst is afkomstig van www.gkv.nl. Het auteursrecht van kerkelijke teksten berust bij de Gereformeerde Kerken in Nederland, vertegenwoordigd door deputaten Generaal-synodale publicaties (publicaties@gkv.nl).