GENADE ERVAREN (3)

De vergevende kracht van genade ervaren

Over vergeving van zonden

 

Preek over Psalm 32

 

 

Van David, een kunstig lied.

 

Gelukkig de mens van wie de ontrouw wordt vergeven,

van wie de zonden worden bedekt.

Gelukkig als de HEER zijn schuld niet telt,

als in zijn geest geen spoor van bedrog is.

 

Zolang ik zweeg, teerden mijn botten weg,

kreunend leed ik, de hele dag.

Zwaar drukte uw hand op mij, dag en nacht,

mijn kracht smolt weg als in de zomerhitte. sela

 

Toen beleed ik u mijn zonde,

ik dekte mijn schuld niet toe,

ik zei: ‘Ik beken de HEER mijn ontrouw’ –

en u vergaf mij mijn zonde, mijn schuld. sela

 

Laten uw getrouwen dus tot u bidden

als zij in zichzelf een zonde vinden.

Stormt dan een vloed van water aan,

die zal hen niet bereiken.

 

Bij u ben ik veilig, u behoedt mij in de nood

en omringt mij met gejuich van bevrijding. sela

 

‘Ik geef inzicht en wijs de weg die je moet gaan.

Ik geef raad, op jou rust mijn oog.

Wees niet redeloos als paarden of ezels

die met bit en toom worden bedwongen,

dan zal geen kwaad je treffen.’

 

Een slecht mens heeft veel leed te verduren,

maar wie op de HEER vertrouwt wordt met liefde omringd.

Verheug u in de HEER, rechtvaardigen, en juich,

zing het uit, allen die oprecht zijn van hart.

 

 

Inleiding

 

“Kunt u vergeven? Ik niet.”

 

Met deze woorden opent Corrie ten Boom een overdenking over de vergeving van de zonden. En dan zijn we meteen bij de kern. Bij onze eigen onmacht te vergeven. We kunnen het niet. Als we denken aan de dingen die ons zijn aangedaan, aan de harde woorden die tegen ons gezegd zijn, aan het onrecht dat gebeurde en gebeurt - als we daaraan denken voelen we ons eerder boos dan vergevingsgezind.

 

Maar Corrie ten Boom zie nog iets meer: “Kunt u vergeven? Ik niet. Maar Jezus in mij en Jezus in u kan het wel.” Ik denk dat we vaak niet kunnen vergeven, omdat we zelf niet geleerd hebben om vergeving te ontvangen, omdat we zelf niet geleerd hebben om in alle openheid naar God toe te gaan en kwetsbaar te worden en onze zonden werkelijk te benoemen en te ervaren en vervolgens de genade.

 

Nu zijn vanmorgen al wat extra geholpen om die genade te proeven omdat de kleine Matthijs is gedoopt. Want de doop is een teken van de belofte van de vergeving van onze zonden. Wat wij niet kunnen, kan God wel. Zonden vergeven. Wat wij vaak niet kunnen opbrengen, doet God wel: de eerste stap zetten. En als we dan kijken naar zo’n klein mannetje in de armen van zijn ouders, en er stroomt wat water over zijn hoofdje, dan zien we in alle eenvoud dat het waar is: God zet de eerste stap, Hij belooft dat Hij onze zonden vergeeft. Dat is genade. En weet u,  één van de allerbelangrijkste dingen die we onze kinderen kunnen leren is dit: vergeving ontvangen en anderen vergeven.

 

Maar nu is het gevaar zo groot dat dat allemaal bekende woorden zijn, en de doop een overbekend ritueel, en dat we het met ons hoofd ook echt geloven, maar er met ons hart niet zo goed bij kunnen en er niet uit leven. Ons gebed om vergeving is vaak zo nietszeggend, zo algemeen, zo tussen neus en lippen door. ‘Dit alles vragen we u in de vergeving van onze zonden, om Jezus wil.’ En dat we dan we weer verder gaan waar we gebleven waren. Onze gedachten, onze gevoelens, onze verlangens zijn niet wezenlijk veranderd. Dan hebben we de genade wel vluchtig gezien, maar niet diepgaand ervaren.

 

Nu leg ik nogal wat nadruk op dat ‘ervaren’ in deze prekenserie over ‘Genade Ervaren’. En dat doe ik omdat ik me wel eens afvraag: ervaar ik zelf eigenlijk de genade wel? Want als ik de genade (en dat is Gods eindeloze, gevende, gulle goedheid voor mij) ten volle zou ervaren zou ik niet zo onrustig zijn als ik vaak ben van binnen, zou ik me niet zo snel afgewezen voelen, zou ik niet zo geprikkeld en ongeduldig zijn soms, vaak. Maar dat is er allemaal wel. Ervaar ik dan wel de genade?

 

En weet u, het is ook zo belangrijk om te zoeken naar de ervaring van de genade. We lopen zo snel het gevaar dat we blijven steken aan de oppervlakte. Dan zeggen we: ‘Natuurlijk, we zijn allemaal zondig.’ En vervolgens: ‘Jezus is gelukkig voor onze zonden gestorven.’ En daar zit dan geen sikkepit verbrokenheid bij. En als er geen verbrokenheid is in onze levens, dan zal er ook geen echte vreugde zijn. Verbrokenheid en vreugde horen bij elkaar.

 

En als ik dat even omkeer: als we in onze levens soms zo weinig geloofsvreugde kennen, er zelfs wel eens wat neerbuigend over doen als we dat bij een ander wel zien, dan is de kans groot dat dat te maken heeft met het niet ervaren van de genade. Want genade ervaren leidt hoe dan ook tot grote vreugde!

 

Ervaring, daar gaat het om. En ik weet hoe gevaarlijk die uitspraak kan lijken, omdat we leven in een samenleving waarin ervaring en gevoel en beleving zo’n grote rol spelen en omdat we bang zijn daardoor geïnfecteerd te raken. Maar dat is niet de reden waarom ik deze dingen zeg. Ik zeg het op grond van openbaring. Psalm 32, Gods geopenbaarde Woord,  is een Psalm vol geloofservaring. Juist de Psalmen zijn liederen waarin stem wordt gegeven aan de ervaringen van het geloof. Het gaat er over verdriet, over teleurstelling, over een juichstemming, over diepe dalen en hoge bergen, over de dingen die God aan ons gedaan heeft. Dat zijn de Psalmen: allemaal geloofservaring. En dan niet alleen om er over te lezen, maar om die ervaring ook in je eigen leven te zien stromen. Dat je bijvoorbeeld met David mee-ervaart: ‘U omringt mij met gejuich van bevrijding.’

 

Wat leren we in Psalm 32? Want het is een leerdicht. Er staat nu boven: ‘kunstig lied’. Maar in de oude vertaling staat er: ‘een leerdicht’. We kunnen er een leer-ervaring aan opdoen. En ik hoop dat het zo mag zijn dat Psalm 32 voor ons niet langer die Psalm is die wat zwaarmoedig en somber is en die we dus maar niet te vaak moeten zingen (of juist wel), maar dat Psalm 32 de Psalm wordt waarvan je zegt: ‘Dit is de Psalm die mij heeft geleerd om door te dringen tot mijn zonde en verbrokenheid, de Psalm waaraan ik de vergevende kracht van de genade heb leren ervaren.’

 

Dat gaat niet gebeuren na één keer lezen, en ook niet na het aanhoren van een preek. Dat gaat alleen gebeuren als je tijd neemt om met die Psalm om te gaan, om je te laten vormen en te laten aangrijpen door de woorden, om de Geest het werk te laten doen wat je niet zelf kunt doen. Dat is dus een oproep aan u allemaal: lees en herlees Psalm 32, neem er de tijd voor, want alleen Gods Woorden (niet onze gedachten en meningen en overwegingen) zijn levend en krachtig.

 

Ik heb drie aandachtspunten in deze preek

1.       zie hoe zwart je zonde is

2.       ga op je rode stip staan

3.       ervaar het witte licht van de genade

 

1 Zie hoe zwart je zonde is

 

Psalm 32 is geen sombere Psalm. De berijmde versie is erg gedragen en zwaar. Maar Psalm 32 is eigenlijk een opwekkingslied. Neem het laatste vers: ‘Verheug u in de HEER, rechtvaardigen, en juich, zing het uit, allen die oprecht zijn van hart.’ Dat zou niet misstaan in de Opwekkingsbundel.

 

En deze Psalm begint ook met het geluk. Vergeving ervaren is een toestand van geluk! Dat is het thema van de Psalm: niet zozeer hoe zondig we zijn en hoe zwaar en zwart dat is. Nee, hoe word ik gelukkig? Hoe pluk ik het geluk? Daar gaat het om. ‘Gelukkig de mens…’ Alleen is het antwoord dat gegeven wordt een beetje tegendraads: ‘Gelukkig is de mens van wie de ontrouw wordt vergeven.’ Het verstoort wellicht het feestje dat we graag hadden willen bouwen, dat woord ontrouw (of ongerechtigheid in de oude vertaling). Het feestje zonder diepte, het feestje dat aan de oppervlakte blijft en waarvan je hoopt dat er niemand komt opdagen die daar doorheen prikt.

 

Het gaat hier aan de andere ook niet om een zwartgallig zondebesef in de trant van: ‘Hoe dieper je je zonde kent, hoe beter je bent als christen.’ Er staat niet: ‘Je bent pas oké als je je zonden kent.’ Er staat: ‘je bent gelukkig als ontrouw vergéven is.’

 

Als je in het donker naar de sterren staat te kijken, zeg je niet: ‘Kijk eens hoe donker het hier is!’ Dan zeg je: ‘Zie hoe mooi de sterren stralen.’ Maar dat zie je alleen vanuit dat donker. Zonder duisternis, geen licht.

 

Zondekennis en zondebesef is dus wel nodig, maar nooit als doel op zich. Dat is een groot kwaad in de kerken: dat we alleen maar zeggen dat we een dieper zondebesef moeten hebben. En als we dat daadwerkelijk zouden hebben, op de manier van Psalm 32, zou het in de kerken een buitengewoon vrolijke boel worden. Want dan gaan we vergeving ervaren! Dan gaat steeds dieper in ons leven doordringen: Jezus is voor al mijn zonden gestorven. Mijn zonden zijn vergeven! Al die zonden waar ik nog steeds aan vast houdt, al die zonden waar ik nog steeds mee worstel, al die zonden die ik nog nooit echt bij Jezus heb gebracht, al die zonden waarover ik denk en soms zeg dat iedereen het toch doet en dat het allemaal toch niet zo erg kan zijn - ik ben er vrij van, ze zijn vergeven!

 

En waarom zou ik (en dan heb ik het ook over mezelf) dan nog oordelen, waarom zou ik nog verbitterd zijn, waarom zou ik nog somber en mopperig mijn plek in de gemeente innemen. Dat hoeft niet meer: want er is vreugde. De vreugde van de vergevende genade van Jezus Christus!

 

En met het oog op het ervaren van die vreugde van de vergeving, is het nodig om te zien hoe zwart de zonde is. In het eerste vers worden vier verschillende woorden gebruikt: ontrouw, zonden, schuld en bedrog. Laten we vooral even bij die ‘ontrouw’ stil staan. Ontrouw is relationeel begrip. Zonde is niet zozeer het overtreden van geboden, het maken van fouten. Zonde gaat in de wortel veel dieper. Het is ontrouw aan God. Het is: de relatie met God verbreken. Het is niet God maar je eigen ik op de eerste plaats zetten. Het is: zelfgerichtheid.

 

En uit die zelfgerichtheid, uit dat altijd maar bezig zijn met jezelf, je eigen verlangens, gevoelen, teleurstellingen en successen, uit de weigering om te geloven dat alleen Jezus onze diepste verlangens kan vervullen, komen allerlei andere zonden voort. Dan willen we te allen tijde erkenning en waardering, dan willen we dat aan onze lichamelijke verlangens altijd wordt tegemoet gekomen, dan willen we onze boosheid per se uiten, omdat we Jezus daarin verder geen rol laten spelen.

 

Dat is zonde, dat is ontrouw, dat is dus de weg waarlangs je ongelukkig wordt. Daar worden geen boeken over geschreven: ‘Hoe word ik ongelukkig?’ Maar je zou kunnen zeggen dat Psalm 32 wel een antwoord geeft op die vraag. Je wordt namelijk ongelukkig door een ezel te zijn. Dat is haast ironisch. Om een beter begrip te krijgen van de Psalm is het boeiend om op te merken dat er drie geboden in voorkomen.

1)       Laten uw getrouwen bidden (vers 6);

2)       Wees niet redeloos als een ezel (vers 9);

3)       Verheug u in de Heer, juich en zing het uit (vers 11).

 

Het tweede gebod is dus: wees niet redeloos als een ezel. Het is niet erg vleiend om met een ezel te worden vergeleken. Ezels zijn koppig. Ezels zijn dom. En God zelf - want Hij is aan het woord in vers 9 - zegt tegen ons: wees niet redeloos als een ezel. Wanneer ben je dat dan, een ezel? Als je weigert om uit jezelf naar God toe te komen en te belijden dat je ten diepste op jezelf gericht bent, te belijden dat je je niet laat leiden door Gods waarheid maar door je eigen waarheid,  te belijden dat er diep in jou nog heel veel zwarte kanten zijn die je voor geen prijs aan een ander zou willen laten zien.

 

Het is erg koppig, erg redeloos, erg onverstandig - zegt God - om te volharden in het zwijgen. Daar word je ongelukkig van, mopperig, onrustig, lichtgeraakt. Een beetje bitter, omdat de onbeleden zonden als een ziekte woekeren in je binnenste. Dat moeten we leren herkennen. Vaak hebben we het ver weggestopt en leven we erover heen, maar als we stil staan en stil worden en wat dieper gaan nadenken, dan herkennen we het: ‘Zolang ik zweeg, teerden mijn botten weg, kreunend leed ik, de hele dag. Zwaar drukte uw hand op mij, dag en nacht, mijn kracht smolt weg als in de zomerhitte.’

 

 

2 Ga op je rode stip staan

 

De volgende stap in deze preek: Ga op je rode stip staan. Ik moet eerst even uitleggen wat ik daarmee bedoel. Als je op een stadsplattegrond kijkt, bijvoorbeeld als je een straat zoekt in een stad waar je nog niet eerder bent geweest, dan zoek je eerst naar de plek waar staat: ‘Hier bevindt u zich’.  Hier in Nederland is die plek meestal aangeduid met een brede pijl. Elders wordt daarvoor de rode stip gebruikt. Die rode stip is dus de plek waar je je bevindt.

 

Als wij tot God bidden, is het noodzakelijk en genezend als we eerst onder woorden brengen waar we ons op dat moment bevinden. Vaak doen we ons beter voor dan we zijn als we gaan bidden: we gaan eerste netjes zitten, we leggen onze boosheid en ergernis even weg. En we voelen ons geremd om te gaan bidden als we net iets heel verkeerds hebben gedaan.

 

Maar God verlangt er hartstochtelijk naar dat we ons eerlijk aan Hem voorstellen. Dat we tegen Hem zeggen: Heer, hier bevind ik mij. ‘Ik voel me angstig en onrustig, ik vraag me af waarom u me zoveel teleurstellingen te verwerken geeft, ik ben boos op die broeder uit de gemeente, ik zit niet lekker in mijn relatie met mijn partner, en nu ik aan het bidden ben voel ik als ik eerlijk ben verveling opkomen. Ik heb helemaal geen zin om te bidden.En ik ben niet geïnteresseerd in uw glorie, want ik kan me er eerlijk gezegd niets bij voorstellen. Waar ben ik eigenlijk mee bezig? Ik vertrouw U eigenlijk ook helemaal niet. Ik vertrouw liever op mezelf.’

 

Ik denk dat we allemaal die gedachten wel kennen. Maar verwoorden we ze ook naar God toe? Als we dat niet doen, staat dat onze verbondenheid met Hem in de weg, en dus ook het ervaren van zijn genade. Genade ervaar je alleen in de persoonlijke verbondenheid met God, alleen als je telkens opnieuw zegt en ervaart: ‘Heer, U bent de Allereerste in mijn leven!’

 

We kennen dat wel uit ons eigen relaties: als je je naar voelt, angstig, bezorgd, verbitterd, of als je je terecht schuldig voelt over iets wat je hebt gedaan of gezegd, en je spreekt dat niet eerlijk uit naar de ander (je partner, je kind, je vader of wie dan ook maar), dan zit dat de relatie in de weg. Die wordt onwaarachtig, oppervlakkig, vreugdeloos.

 

Zo is dat ook in onze relatie met God. Als we niet zeggen: ‘Heer, hier bevind ik mij’, dan komt er geen verbondenheid tot stand, dan kan er geen genade gaan stromen. We leren dat al in de Heidelbergse Catechismus. In antwoord 117 staat dat voor een gebed dat God aangenaam is dit nodig is: ‘dat wij onze nood en ellende grondig kennen’. Dat kan alleen als we onze nood en ellende ook verwoorden. We moeten leren om naar binnen te kijken. We moeten leren om te gaan staan op onze rode stip: hier bevind ik mij.

 

Zie hoe je er werkelijk aan toe bent, welke gevoelens er in je zijn, welke gedachten er door je hoofd gaan; werp niet slechts een vluchtige blik, maar keer naar binnen en verwoord wat je voelt en denkt: je ergernis, je angst, je boosheid, je verborgen zonde, je onreinheid, je eenzaamheid, je ontoegankelijkheid, je hardheid, je egoïsme, je oppervlakkigheid als het gaat om de dingen die boven zijn in de hemel, waar Christus zit aan Gods rechterhand.

 

Dat geeft trouwens - dat zeg ik er voor de zekerheid maar even bij - geen goed gevoel. Het is vreselijk: het is pijnlijk, het is vernederend, want op geen enkele manier kun je nog de schijn ophouden. Maar dat is de enige weg om in het reine te komen met God en om de genade van Jezus te ervaren.

 

Wat ik nu gezegd heb is een praktische uitwerking van Psalm 32 vers 6 (dat eerste gebod uit Psalm 32): ‘Laten uw getrouwen dus tot u bidden als zij in zichzelf een zonde vinden.’ God laat zich pas vinden als we open en eerlijk zijn over onze zonde en breken met ons oppervlakkige zondebesef, en als we de diepte van de ziel zoeken, waar nog zoveel donkerheid is. Nogmaals: dat is niet leuk. En als je naar de kerk komt of in de bijbel leest om het leuk te hebben, of om een goed gevoel te krijgen, dan haak je nu misschien wel af. Dat begrijp ik. Maar ik zeg er wel dit bij: dat zwarte gevoel dat David in vers 3 en 4 onder woorden brengt is hopeloos en uitzichtloos; en het gevoel van verbrokenheid waar ik het nu over heb is ook zwart, maar dan als voorspel van het op je toekomende licht van Gods genade. Je zult Gods genade alleen werkelijk ervaren, als je durft te vallen, als je een gevallen man of een gevallen vrouw durft te zijn, als je gevallen bent, op je knieën. Als je kind wilt zijn en God een Liefdevolle Vader laat zijn, je Papa. Want Hij wijst je niet af.

 

Daar zijn we misschien bang voor. We zien zonde en denken: ‘Hij zal wel boos zijn’. Maar als je naar Hem toegaat, als geliefd kind, en in zijn ogen kijkt, dan zie je dankzij Jezus zoveel mildheid, zoveel ontferming, zoveel geluk ook omdat je naar Hem toekomt als je Vader. En dan gaan de poorten van de hemel open en word je overrompeld door Gods genade.

 

 

3 Ervaar het witte licht van de genade

 

De laatste stap in deze preek, waar het allemaal om gaat, waar het op uitloopt, wat de kern is: het witte licht van de genade ervaren. Als wij in onze verbrokenheid als kinderen naar onze Papa gaan, dan gaat de hemel open. En het derde gebod uit Psalm 32 komt tot klinken (vers 11): ‘Verheug u in de HEER, rechtvaardigen, en juich, zing het uit, allen die oprecht zijn van hart.’ Als we ons leugenachtige leven achter ons laten waarin we ons beter voordoen dan we zijn, waarin we zwijgen over onze zonden, waarin we ze ontkennen, als we dat leven achter ons laten, komt er een ruimte waar we nooit van hadden durven dromen. Dat gaat er genade stromen, overvloedig, onstuitbaar. Dan gaan de ogen van ons hart door Gods genade aangeraakt als ze zijn open om onze Heer te bewonderen. Als er in Psalm 32 staat ‘Verheug u in de Heer!’ dan mogen we dat wel direct koppelen aan het gebod dat we ook vinden in de Filippenzenbrief: ‘Laat de Heer uw vreugde blijven; ik zeg u nogmaals: wees altijd verheugd.’

 

Genade, lieve mensen, heeft alles met vreugde te maken. Met het zoeken en vinden van ultieme vreugde in Jezus, in wie Gods genade ons leven is binnengekomen. Dat is Advent vieren: je vreugde zoeken in Jezus en zijn eindeloze genade.

 

Ik hoor wel eens in de gemeente uitspraken in deze trant: ‘Ik kan me er zo weinig voorstellen als je het hebt over genade ervaren, vreugde vinden in Christus, je laten aanraken door Gods goedheid, in zijn ogen kijken en ontdekken dat je een eindeloos bemind kind van Papa bent, genieten van de glorie van Christus.’ Ik snap dat wel. Maar ik hoop dat je dan niet verleid wordt om te denken: ‘wat een overdreven gedoe allemaal’, maar dat daar dan maar één vervolgvraag bij gesteld wordt, namelijk deze: ‘Hoe kan ik de genade van Jezus ervaren?’ En dan zeg ik alleen maar: laat je grijpen door het Woord van God en door de Geest van God. Blijf niet hangen in je eigen onvermogen of misschien zelfs wel in je irritatie over dat spreken over Jezus en over genade en over vreugde. Laat de bijbel open gaan in je leven, niet alleen maar als boek waaruit veel te leren valt, maar vooral als de plek waar je Gods Zoon kunt ontmoeten. Lees de bijbel zoals je de brief van een geliefde leest.

 

En steeds weer gaat het om Hem die het centrum van God openbaring is. Het gaat om Christus Jezus in wie deze profetie is vervuld: “Het volk dat in duisternis ronddoolt ziet een schitterend licht. Zij die in het donker wonen worden door een helder licht beschenen” (Jesaja 9:1). Deze profetie mag in ons leven telkens opnieuw in vervulling gaan als we oprecht onze schuld belijden. Want pas als we ervaren hoe verpletterend onze God-loosheid is, hoezeer we gericht zijn op onszelf, hoe donker onze zwarte kanten zijn, pas dan zal het witte licht van Gods genade in onze levens doorbreken.

 

En we zullen Jezus zien en ervaren en intens van Hem genieten. Hij is het lam van God dat onze zonde wegdraagt (Johannes 1:29). In hem zijn wij door zijn bloed verlost en zijn onze zonden vergeven, dankzij de rijke genade (Efeziërs 1:7). Hij is het licht voor de wereld en als we Hem volgen zullen we nooit meer in het donker wandelen (Johannes 8:12).

 

Dat zien, dat is genade. Weggerukt worden uit je eigen benauwende vicieuze cirkel van zonde op zonde, van zelfgerichtheid, van verbittering en onvermogen om te vergeven. Genade staat voor: opluchting, een nieuw begin, opwekking, vreugde, gejuich!

 

En als je dat moeilijk vindt, als je het niet herkent in je leven, als de glorie van Christus je eigenlijk onberoerd laat, erken dat dan en ga, in plaats van je te verdedigen of het goed te praten, ga bidden. En vertrouw op Gods belofte: Hij laat zich vinden. Hij laat zich vinden in zijn Zoon, in het licht, het witte licht van de genade.

 

Psalm 32 is een opwekkingslied, de Psalm van vreugde en geluk. Gelukkig zul je zijn als je de vergevende kracht van de genade ervaart, als Jezus in je leven straalt als de opgaande zon, de zon die gerechtigheid brengt (Maleachi 3:20).

 

Lieve Vader, genadige God, we willen juichen over uw vergevende goedheid, over het licht dat doorbreekt in onze duisternis, over de eindeloze glorie van uw Zoon die op aarde is gekomen, het Woord dat mens is geworden. We willen ons verheugen in U en in U alleen, Heer Jezus. U bent ons licht, U bent ons leven, U bent het lam dat onze zonden wegdraagt. We scheppen vreugde in uw genade en uw grootheid, en we smeken U om moed om de donkere kanten van ons leven bij U te brengen, aan de voet van het kruis. Verbreek onze harten, en maak zo ruimte voor stromende genade, stromen van levend water door uw Geest recht uit uw hart in het onze. Amen.

 

 

Handreiking voor de liturgie

 

Liedboek voor de Kerken Gezang 460:1,2,3

Gebed

Schriftlezing: Psalm 32

Psalm 32:1,3

Preek De vergevende kracht van genade ervaren

Gebed

Gereformeerd Kerkboek Gezang 156 en direct aansluitend 160

Geloofsbelijdenis: Gereformeerd Kerkboek Gezang 161

Dankzegging

Collecte

Psalm 51:5,7