GENADE ERVAREN (3)
De vergevende kracht van genade ervaren
Over
vergeving van zonden
Van David, een kunstig lied.
Gelukkig de mens van wie de ontrouw wordt vergeven,
van wie de
zonden worden bedekt.
Gelukkig als de HEER zijn
schuld niet telt,
als in zijn
geest geen spoor van bedrog is.
Zolang ik zweeg, teerden mijn botten weg,
kreunend leed ik,
de hele dag.
Zwaar drukte uw hand op mij, dag en nacht,
mijn kracht
smolt weg als in de zomerhitte. sela
Toen beleed ik u mijn zonde,
ik dekte
mijn schuld niet toe,
ik zei: ‘Ik
beken de HEER mijn
ontrouw’ –
en u vergaf
mij mijn zonde, mijn schuld. sela
Laten uw getrouwen dus tot u bidden
als zij in
zichzelf een zonde vinden.
Stormt dan een vloed van water aan,
die zal hen
niet bereiken.
Bij u ben ik veilig, u behoedt mij in de nood
en omringt
mij met gejuich van bevrijding. sela
‘Ik geef inzicht en wijs de weg die je moet gaan.
Ik geef raad, op jou rust mijn oog.
Wees niet redeloos als paarden of ezels
die met bit
en toom worden bedwongen,
dan zal geen
kwaad je treffen.’
Een slecht mens heeft veel leed te verduren,
maar wie op de
HEER vertrouwt
wordt met liefde omringd.
Verheug u in de HEER, rechtvaardigen, en juich,
zing het uit,
allen die oprecht zijn van hart.
“Kunt u vergeven? Ik niet.”
Met deze woorden opent Corrie ten Boom een overdenking over
de vergeving van de zonden. En dan zijn we meteen bij de kern. Bij onze eigen
onmacht te vergeven. We kunnen het niet. Als we denken aan de dingen die ons
zijn aangedaan, aan de harde woorden die tegen ons gezegd zijn, aan het onrecht
dat gebeurde en gebeurt - als we daaraan denken voelen we ons eerder boos dan
vergevingsgezind.
Maar Corrie ten Boom zie nog iets
meer: “Kunt u vergeven? Ik niet. Maar Jezus in mij en Jezus in u kan het wel.” Ik denk dat we vaak niet
kunnen vergeven, omdat we zelf niet geleerd hebben om vergeving te ontvangen,
omdat we zelf niet geleerd hebben om in alle openheid naar God toe te gaan en
kwetsbaar te worden en onze zonden werkelijk te benoemen en te ervaren en
vervolgens de genade.
Nu zijn vanmorgen al wat extra geholpen om die genade te
proeven omdat de kleine Matthijs is gedoopt. Want de doop is een teken van de
belofte van de vergeving van onze zonden. Wat wij niet kunnen, kan God wel.
Zonden vergeven. Wat wij vaak niet kunnen opbrengen, doet God wel: de eerste
stap zetten. En als we dan kijken naar zo’n klein
mannetje in de armen van zijn ouders, en er stroomt wat water over zijn
hoofdje, dan zien we in alle eenvoud dat het waar is: God zet de eerste stap,
Hij belooft dat Hij onze zonden vergeeft. Dat is genade. En weet u, één van de allerbelangrijkste dingen die we
onze kinderen kunnen leren is dit: vergeving ontvangen
en anderen vergeven.
Maar nu is het gevaar zo groot dat dat allemaal bekende woorden zijn, en de doop een
overbekend ritueel, en dat we het met ons hoofd ook echt geloven, maar er met ons
hart niet zo goed bij kunnen en er niet uit leven. Ons gebed
om vergeving is vaak zo nietszeggend, zo algemeen, zo tussen neus en lippen
door. ‘Dit alles vragen we u in de vergeving van onze zonden, om Jezus’ wil.’ En dat we dan we weer verder gaan waar we gebleven
waren. Onze gedachten, onze gevoelens, onze verlangens zijn niet wezenlijk
veranderd. Dan hebben we de genade wel vluchtig gezien, maar niet diepgaand
ervaren.
Nu leg ik nogal wat nadruk op dat ‘ervaren’ in deze
prekenserie over ‘Genade Ervaren’. En dat doe ik omdat ik me wel eens afvraag:
ervaar ik zelf eigenlijk de genade wel? Want als ik de genade
(en dat is Gods eindeloze, gevende, gulle goedheid voor mij) ten volle zou
ervaren zou ik niet zo onrustig zijn als ik vaak ben van binnen, zou ik me niet
zo snel afgewezen voelen, zou ik niet zo geprikkeld en ongeduldig zijn soms,
vaak. Maar dat is er allemaal wel. Ervaar ik dan wel de genade?
En weet u, het is ook zo belangrijk om te zoeken naar de
ervaring van de genade. We lopen zo snel het gevaar dat we blijven steken aan
de oppervlakte. Dan zeggen we: ‘Natuurlijk, we zijn allemaal zondig.’ En
vervolgens: ‘Jezus is gelukkig voor onze zonden
gestorven.’ En daar zit dan geen sikkepit verbrokenheid
bij. En als er geen verbrokenheid is in onze levens,
dan zal er ook geen echte vreugde zijn. Verbrokenheid
en vreugde horen bij elkaar.
En als ik dat even omkeer: als we in onze levens soms
zo weinig geloofsvreugde kennen, er zelfs wel eens wat neerbuigend over doen
als we dat bij een ander wel zien, dan is de kans groot dat dat
te maken heeft met het niet ervaren van de genade. Want
genade ervaren leidt hoe dan ook tot grote vreugde!
Ervaring, daar gaat het om. En ik weet hoe gevaarlijk die
uitspraak kan lijken, omdat we leven in een samenleving waarin ervaring en
gevoel en beleving zo’n grote rol spelen en omdat we
bang zijn daardoor geïnfecteerd te raken. Maar dat is niet de reden waarom ik
deze dingen zeg. Ik zeg het op grond van openbaring. Psalm 32, Gods
geopenbaarde Woord, is
een Psalm vol geloofservaring. Juist de Psalmen zijn
liederen waarin stem wordt gegeven aan de ervaringen van het geloof. Het gaat
er over verdriet, over teleurstelling, over een juichstemming, over diepe dalen
en hoge bergen, over de dingen die God aan ons gedaan heeft. Dat zijn de
Psalmen: allemaal geloofservaring. En dan niet alleen om er over te lezen, maar
om die ervaring ook in je eigen leven te zien stromen. Dat je bijvoorbeeld met
David mee-ervaart: ‘U omringt mij met gejuich van
bevrijding.’
Wat leren we in Psalm 32? Want het is een
leerdicht. Er staat nu boven: ‘kunstig lied’. Maar in de oude vertaling staat
er: ‘een leerdicht’. We kunnen er een leer-ervaring
aan opdoen. En ik hoop dat het zo mag zijn dat Psalm 32 voor
ons niet langer die Psalm is die wat zwaarmoedig en somber is en die we dus
maar niet te vaak moeten zingen (of juist wel), maar dat Psalm 32 de Psalm
wordt waarvan je zegt: ‘Dit is de Psalm die mij heeft geleerd om door te
dringen tot mijn zonde en verbrokenheid, de Psalm
waaraan ik de vergevende kracht van de genade heb leren ervaren.’
Dat gaat niet gebeuren na één keer lezen,
en ook niet na het aanhoren van een preek. Dat gaat alleen
gebeuren als je tijd neemt om met die Psalm om te gaan, om je te laten vormen
en te laten aangrijpen door de woorden, om de Geest het werk te laten doen wat
je niet zelf kunt doen. Dat is dus een oproep aan u allemaal: lees en herlees
Psalm 32, neem er de tijd voor, want alleen Gods Woorden (niet onze gedachten
en meningen en overwegingen) zijn levend en krachtig.
Ik heb drie aandachtspunten in deze preek
1.
zie hoe zwart je zonde is
2.
ga op je rode stip staan
3.
ervaar het witte licht van de genade
Psalm 32 is geen sombere Psalm. De berijmde versie is erg gedragen
en zwaar. Maar Psalm 32 is eigenlijk een opwekkingslied. Neem het laatste vers:
‘Verheug u in de HEER, rechtvaardigen, en juich, zing het uit, allen die
oprecht zijn van hart.’ Dat zou niet misstaan in de Opwekkingsbundel.
En deze Psalm begint ook met het geluk. Vergeving ervaren is
een toestand van geluk! Dat is het thema van de Psalm: niet zozeer hoe zondig
we zijn en hoe zwaar en zwart dat is. Nee, hoe word ik gelukkig? Hoe pluk ik
het geluk? Daar gaat het om. ‘Gelukkig de mens…’ Alleen is het antwoord dat
gegeven wordt een beetje tegendraads: ‘Gelukkig is de mens van wie de ontrouw
wordt vergeven.’ Het verstoort wellicht het feestje dat we graag hadden willen
bouwen, dat woord ontrouw (of ongerechtigheid in de oude vertaling). Het
feestje zonder diepte, het feestje dat aan de oppervlakte blijft en waarvan je
hoopt dat er niemand komt opdagen die daar doorheen prikt.
Het gaat hier aan de andere ook niet om een zwartgallig
zondebesef in de trant van: ‘Hoe dieper je je zonde
kent, hoe beter je bent als christen.’ Er staat niet: ‘Je bent pas oké als je je zonden kent.’ Er staat: ‘je bent gelukkig als ontrouw
vergéven is.’
Als je in het donker naar de sterren staat te kijken, zeg je
niet: ‘Kijk eens hoe donker het hier is!’ Dan zeg je: ‘Zie hoe mooi de sterren
stralen.’ Maar dat zie je alleen vanuit dat donker. Zonder duisternis, geen
licht.
Zondekennis en zondebesef is dus
wel nodig, maar nooit als doel op zich. Dat is een groot kwaad in de kerken:
dat we alleen maar zeggen dat we een dieper zondebesef moeten hebben. En als we
dat daadwerkelijk zouden hebben, op de manier van Psalm 32, zou het in de
kerken een buitengewoon vrolijke boel worden. Want dan gaan we vergeving
ervaren! Dan gaat steeds dieper in ons leven doordringen: Jezus is voor al mijn
zonden gestorven. Mijn zonden zijn vergeven! Al die zonden
waar ik nog steeds aan vast houdt, al die zonden waar ik nog steeds mee
worstel, al die zonden die ik nog nooit echt bij Jezus heb gebracht, al die
zonden waarover ik denk en soms zeg dat iedereen het toch doet en dat het
allemaal toch niet zo erg kan zijn - ik ben er vrij van, ze zijn vergeven!
En waarom zou ik (en dan heb ik het ook over mezelf)
dan nog oordelen, waarom zou ik nog verbitterd zijn, waarom zou ik nog somber
en mopperig mijn plek in de gemeente innemen. Dat hoeft
niet meer: want er is vreugde. De vreugde van de vergevende genade van Jezus
Christus!
En met het oog op het ervaren van die vreugde van de
vergeving, is het nodig om te zien hoe zwart de zonde is. In het eerste vers
worden vier verschillende woorden gebruikt: ontrouw, zonden, schuld en bedrog.
Laten we vooral even bij die ‘ontrouw’ stil staan. Ontrouw is relationeel
begrip. Zonde is niet zozeer het overtreden van geboden, het maken van fouten.
Zonde gaat in de wortel veel dieper. Het is ontrouw aan God. Het is: de relatie
met God verbreken. Het is niet God maar je eigen ik op de eerste plaats zetten.
Het is: zelfgerichtheid.
En uit die zelfgerichtheid, uit dat altijd maar bezig zijn
met jezelf, je eigen verlangens, gevoelen, teleurstellingen en successen, uit
de weigering om te geloven dat alleen Jezus onze diepste verlangens kan
vervullen, komen allerlei andere zonden voort. Dan willen we te allen tijde
erkenning en waardering, dan willen we dat aan onze lichamelijke verlangens
altijd wordt tegemoet gekomen, dan willen we onze boosheid per
se uiten, omdat we Jezus daarin verder geen
rol laten spelen.
Dat is zonde, dat is ontrouw, dat is dus de weg
waarlangs je ongelukkig wordt. Daar worden geen boeken over
geschreven: ‘Hoe word ik ongelukkig?’ Maar je zou kunnen zeggen dat Psalm 32
wel een antwoord geeft op die vraag. Je wordt namelijk ongelukkig door een ezel
te zijn. Dat is haast ironisch. Om een beter begrip te krijgen van de Psalm is
het boeiend om op te merken dat er drie geboden in voorkomen.
1)
Laten uw getrouwen bidden (vers 6);
2)
Wees niet redeloos als een ezel (vers 9);
3)
Verheug u in de
Heer, juich en zing het uit (vers 11).
Het tweede gebod is dus: wees niet redeloos als een ezel.
Het is niet erg vleiend om met een ezel te worden vergeleken. Ezels zijn
koppig. Ezels zijn dom. En God zelf - want Hij is aan het woord in vers 9 -
zegt tegen ons: wees niet redeloos als een ezel. Wanneer ben je dat dan, een
ezel? Als je weigert om uit jezelf naar God toe te komen en te belijden dat je
ten diepste op jezelf gericht bent, te belijden dat je je
niet laat leiden door Gods waarheid maar door je eigen waarheid, te belijden dat er diep in jou nog
heel veel zwarte kanten zijn die je voor geen prijs aan een ander zou willen
laten zien.
Het is erg koppig, erg redeloos, erg onverstandig - zegt God
- om te volharden in het zwijgen. Daar word je ongelukkig van, mopperig,
onrustig, lichtgeraakt. Een beetje bitter, omdat de onbeleden
zonden als een ziekte woekeren in je binnenste. Dat moeten we leren herkennen.
Vaak hebben we het ver weggestopt en leven we erover heen, maar als we stil
staan en stil worden en wat dieper gaan nadenken, dan herkennen we het: ‘Zolang
ik zweeg, teerden mijn botten weg, kreunend leed ik,
de hele dag. Zwaar drukte uw hand op mij, dag en nacht, mijn kracht smolt weg
als in de zomerhitte.’
De volgende stap in deze preek: Ga op je rode stip staan. Ik
moet eerst even uitleggen wat ik daarmee bedoel. Als je op een stadsplattegrond
kijkt, bijvoorbeeld als je een straat zoekt in een stad waar je nog niet eerder
bent geweest, dan zoek je eerst naar de plek waar staat: ‘Hier bevindt u zich’. Hier in
Nederland is die plek meestal aangeduid met een brede pijl. Elders wordt
daarvoor de rode stip gebruikt. Die rode stip is dus de plek waar je je bevindt.
Als wij tot God bidden, is het noodzakelijk en genezend als
we eerst onder woorden brengen waar we ons op dat moment bevinden. Vaak doen we
ons beter voor dan we zijn als we gaan bidden: we gaan eerste netjes zitten, we
leggen onze boosheid en ergernis even weg. En we voelen ons geremd om te gaan
bidden als we net iets heel verkeerds hebben gedaan.
Maar God verlangt er hartstochtelijk naar dat we ons eerlijk
aan Hem voorstellen. Dat we tegen Hem zeggen: Heer, hier bevind ik mij. ‘Ik voel me angstig en onrustig, ik vraag me af waarom u me zoveel
teleurstellingen te verwerken geeft, ik ben boos op die broeder uit de
gemeente, ik zit niet lekker in mijn relatie met mijn partner, en nu ik aan het
bidden ben voel ik als ik eerlijk ben verveling opkomen. Ik heb helemaal
geen zin om te bidden.En ik ben niet geïnteresseerd
in uw glorie, want ik kan me er eerlijk gezegd niets bij voorstellen. Waar ben
ik eigenlijk mee bezig? Ik vertrouw U eigenlijk ook helemaal niet. Ik vertrouw
liever op mezelf.’
Ik denk dat we allemaal die gedachten wel kennen. Maar
verwoorden we ze ook naar God toe? Als we dat niet doen, staat dat onze
verbondenheid met Hem in de weg, en dus ook het ervaren van zijn genade. Genade
ervaar je alleen in de persoonlijke verbondenheid met God, alleen als je
telkens opnieuw zegt en ervaart: ‘Heer, U bent de Allereerste in mijn leven!’
We kennen dat wel uit ons eigen relaties: als je je naar voelt, angstig, bezorgd, verbitterd, of als je je terecht schuldig voelt over iets wat je hebt gedaan of
gezegd, en je spreekt dat niet eerlijk uit naar de ander (je partner, je kind,
je vader of wie dan ook maar), dan zit dat de relatie in de weg. Die wordt
onwaarachtig, oppervlakkig, vreugdeloos.
Zo is dat ook in onze relatie met God. Als we niet zeggen:
‘Heer, hier bevind ik mij’, dan komt er geen verbondenheid tot stand, dan kan
er geen genade gaan stromen. We leren dat al in de Heidelbergse
Catechismus. In antwoord 117 staat dat voor een gebed dat God aangenaam is dit
nodig is: ‘dat wij onze nood en ellende grondig kennen’. Dat kan alleen als we
onze nood en ellende ook verwoorden. We moeten leren om naar binnen te kijken.
We moeten leren om te gaan staan op onze rode stip: hier bevind ik mij.
Zie hoe je er werkelijk aan toe bent, welke gevoelens
er in je zijn, welke gedachten er door je hoofd gaan; werp niet slechts een
vluchtige blik, maar keer naar binnen en verwoord wat je voelt en denkt: je
ergernis, je angst, je boosheid, je verborgen zonde, je onreinheid, je
eenzaamheid, je ontoegankelijkheid, je hardheid, je egoïsme, je
oppervlakkigheid als het gaat om de dingen die boven zijn in de hemel, waar
Christus zit aan Gods rechterhand.
Dat geeft trouwens - dat zeg ik er voor de zekerheid
maar even bij - geen goed gevoel. Het is vreselijk: het is pijnlijk,
het is vernederend, want op geen enkele manier kun je nog de schijn ophouden.
Maar dat is de enige weg om in het reine te komen met God en om de genade van
Jezus te ervaren.
Wat ik nu gezegd heb is een praktische uitwerking van Psalm
32 vers 6 (dat eerste gebod uit Psalm 32): ‘Laten uw getrouwen dus tot u bidden
als zij in zichzelf een zonde vinden.’ God laat zich pas vinden als we open en
eerlijk zijn over onze zonde en breken met ons oppervlakkige zondebesef, en als
we de diepte van de ziel zoeken, waar nog zoveel donkerheid is. Nogmaals: dat
is niet leuk. En als je naar de kerk komt of in de bijbel
leest om het leuk te hebben, of om een goed gevoel te krijgen, dan haak je nu
misschien wel af. Dat begrijp ik. Maar ik zeg er wel dit bij:
dat zwarte gevoel dat David in vers 3 en 4 onder woorden brengt is hopeloos en
uitzichtloos; en het gevoel van verbrokenheid waar ik
het nu over heb is ook zwart, maar dan als voorspel van het op je toekomende
licht van Gods genade. Je zult Gods genade alleen werkelijk ervaren, als
je durft te vallen, als je een gevallen man of een gevallen vrouw durft te
zijn, als je gevallen bent, op je knieën. Als je kind wilt zijn en God een
Liefdevolle Vader laat zijn, je Papa. Want Hij wijst je niet af.
Daar zijn we misschien bang voor. We zien zonde en denken:
‘Hij zal wel boos zijn’. Maar als je naar Hem toegaat, als
geliefd kind, en in zijn ogen kijkt, dan zie je dankzij Jezus zoveel mildheid,
zoveel ontferming, zoveel geluk ook omdat je naar Hem toekomt als je Vader. En
dan gaan de poorten van de hemel open en word je overrompeld door Gods genade.
De laatste stap in deze preek, waar het allemaal om gaat,
waar het op uitloopt, wat de kern is: het witte licht van de genade ervaren.
Als wij in onze verbrokenheid als kinderen naar onze
Papa gaan, dan gaat de hemel open. En het derde gebod uit Psalm 32 komt tot
klinken (vers 11): ‘Verheug u in de HEER, rechtvaardigen, en juich, zing het
uit, allen die oprecht zijn van hart.’ Als we ons
leugenachtige leven achter ons laten waarin we ons beter voordoen dan we zijn,
waarin we zwijgen over onze zonden, waarin we ze ontkennen, als we dat leven
achter ons laten, komt er een ruimte waar we nooit van hadden durven dromen. Dat
gaat er genade stromen, overvloedig, onstuitbaar. Dan gaan de ogen van ons hart
door Gods genade aangeraakt als ze zijn open om onze Heer te bewonderen. Als er
in Psalm 32 staat ‘Verheug u in de Heer!’ dan mogen we
dat wel direct koppelen aan het gebod dat we ook vinden in de Filippenzenbrief: ‘Laat de Heer uw vreugde blijven; ik zeg
u nogmaals: wees altijd verheugd.’
Genade, lieve mensen, heeft alles met vreugde te maken. Met
het zoeken en vinden van ultieme vreugde in Jezus, in wie Gods genade ons leven
is binnengekomen. Dat is Advent vieren: je vreugde zoeken in Jezus en zijn
eindeloze genade.
Ik hoor wel eens in de gemeente uitspraken in deze
trant: ‘Ik kan me er zo weinig voorstellen als je het hebt over genade ervaren,
vreugde vinden in Christus, je laten aanraken door Gods goedheid, in zijn ogen
kijken en ontdekken dat je een eindeloos bemind kind van Papa bent, genieten
van de glorie van Christus.’ Ik snap dat wel. Maar ik hoop dat
je dan niet verleid wordt om te denken: ‘wat een overdreven gedoe allemaal’,
maar dat daar dan maar één vervolgvraag bij gesteld wordt, namelijk deze: ‘Hoe
kan ik de genade van Jezus ervaren?’ En dan zeg ik alleen maar: laat je grijpen
door het Woord van God en door de Geest van God. Blijf niet hangen in je eigen
onvermogen of misschien zelfs wel in je irritatie over dat spreken over Jezus
en over genade en over vreugde. Laat de bijbel open
gaan in je leven, niet alleen maar als boek waaruit veel te leren valt, maar
vooral als de plek waar je Gods Zoon kunt ontmoeten. Lees de bijbel
zoals je de brief van een geliefde leest.
En steeds weer gaat het om Hem die het centrum van God
openbaring is. Het gaat om Christus Jezus in wie deze profetie is vervuld: “Het
volk dat in duisternis ronddoolt ziet een schitterend
licht. Zij die in het donker wonen worden door een helder licht beschenen” (Jesaja 9:1). Deze profetie mag in ons leven telkens opnieuw
in vervulling gaan als we oprecht onze schuld belijden. Want pas als we ervaren
hoe verpletterend onze God-loosheid is, hoezeer we
gericht zijn op onszelf, hoe donker onze zwarte kanten zijn, pas dan zal het
witte licht van Gods genade in onze levens doorbreken.
En we zullen Jezus zien en ervaren en intens van Hem
genieten. Hij is het lam van God dat onze zonde wegdraagt (Johannes 1:29). In
hem zijn wij door zijn bloed verlost en zijn onze zonden vergeven, dankzij de
rijke genade (Efeziërs 1:7). Hij is het licht voor de
wereld en als we Hem volgen zullen we nooit meer in het donker wandelen
(Johannes 8:12).
Dat zien, dat is genade. Weggerukt
worden uit je eigen benauwende vicieuze cirkel van zonde op zonde, van
zelfgerichtheid, van verbittering en onvermogen om te vergeven. Genade staat
voor: opluchting, een nieuw begin, opwekking, vreugde, gejuich!
En als je dat moeilijk vindt, als je het niet herkent
in je leven, als de glorie van Christus je eigenlijk onberoerd laat, erken dat
dan en ga, in plaats van je te verdedigen of het goed te praten, ga bidden. En
vertrouw op Gods belofte: Hij laat zich vinden. Hij laat zich vinden in zijn
Zoon, in het licht, het witte licht van de genade.
Psalm 32 is een opwekkingslied, de Psalm van vreugde en
geluk. Gelukkig zul je zijn als je de vergevende
kracht van de genade ervaart, als Jezus in je leven straalt als de opgaande
zon, de zon die gerechtigheid brengt (Maleachi 3:20).
Lieve Vader, genadige God, we willen juichen over uw
vergevende goedheid, over het licht dat doorbreekt in onze duisternis, over de
eindeloze glorie van uw Zoon die op aarde is gekomen, het Woord dat mens is
geworden. We willen ons verheugen in U en in U alleen, Heer Jezus. U bent ons
licht, U bent ons leven, U bent het lam dat onze zonden wegdraagt. We scheppen
vreugde in uw genade en uw grootheid, en we smeken U om moed om de donkere
kanten van ons leven bij U te brengen, aan de voet van het kruis. Verbreek onze
harten, en maak zo ruimte voor stromende genade, stromen van levend water door
uw Geest recht uit uw hart in het onze. Amen.
Handreiking voor de liturgie
Liedboek voor
de Kerken Gezang 460:1,2,3
Gebed
Schriftlezing:
Psalm 32
Psalm 32:1,3
Preek De vergevende kracht van genade ervaren
Gebed
Gereformeerd
Kerkboek Gezang 156 en direct aansluitend 160
Geloofsbelijdenis:
Gereformeerd Kerkboek Gezang 161
Dankzegging
Collecte
Psalm 51:5,7