Wat is meditatie?

(Uit: Jos Douma, Veni Creator Spiritus. De meditatie en het preekproces, Kok Kampen 2000, blz. 122-125.)
 

Ik geef hier tegen de achtergrond van het thema van deze studie (de betekenis van de meditatie voor het preekproces) een eigen beschrijving van de meditatie. Eigenlijk luidt de vraag die ik hier aan de orde stel als volgt: Hoe hanteer ik in het kader van deze studie de term meditatie? Ik verwerk in mijn eigen beschrijving gezichtspunten en begrippen die ik in het voorgaande onder de terminologische, historische, contemplatief-psychologische en theologische invalshoek gevonden heb.

Voor mijn beschrijving zet ik in met het maken van een onderscheid tussen twee vormen van meditatie die ik beide van belang acht in verband met het preekproces. In de inleidende opmerkingen bij dit hoofdstuk heb ik al aangegeven dat ik gezien mijn onderwerp speciaal geïnteresseerd ben in meditatie als vorm van omgang met de Schrift én in meditatie als inoefening van wat het contemplatieve leven wordt genoemd (ik suggereer daarmee overigens niet dat er niet nog meer vormen van meditatie zouden zijn). Dat werk ik nu nader uit door achtereenvolgens de meditatie als vorm van omgang met de Schrift (a) en als inoefening van de contemplatieve grondhouding (b) te bespreken. Daarna ga ik nog in op de onderlinge afhankelijkheid van deze beide vormen van meditatie (c). De bevindingen die ik hier doorgeef, en die ook gelezen willen worden tegen de achtergrond van de voorgaande paragrafen, vormen een aanzet die in Deel B een verdere uitwerking en verdieping krijgt.

Meditatie als vorm van omgang met de Schrift

Meditatie is in de eerste plaats de aanduiding voor een bepaalde vorm van omgang met de Schrift. Via een aantal opmerkingen wil ik deze vorm van omgang nader karakteriseren.

1. Het object van de Schriftmeditatie is de bijbeltekst. Bij die tekst zet de meditatie in omdat via de woorden van de tekst contact wordt verkregen met de inhoud of de werkelijkheid waarover het in de tekst gaat. Over deze werkelijkheid achter de tekst kan ook worden gemediteerd los van de tekst, maar de essentie van de Schriftmeditatie is nu juist dat de mediterende voortdurend verbonden blijft met de woorden van de tekst als de kritische instantie die het mediteren aanstuurt. De Schrift mediteren is niet: je gedachten de vrije loop laten. De Schrift mediteren is wel: je met hart en ziel verbonden weten met de woorden van de tekst omdat die de weg vormen naar de werkelijkheid die in de tekst ter sprake wordt gebracht.

2. De meditatie van de Schrift is gericht op persoonlijke toe-eigening van de inhouden die via de Schrift naar de mediterende toekomen. Daarbij speelt het intellect uiteraard een onmisbare rol, maar het accent ligt toch duidelijk op het ervaringsmatige aspect van de toe-eigening. Wie meditatief met de Schrift omgaat, heeft niet als doel meer over de Schrift te weten te komen (hoewel dat automatisch meekomt) maar om aan de Schrift gevormd te worden. Wie werkelijk meditatief met de Schrift omgaat, kan daaruit niet onveranderd te voorschijn komen: toe-eigening betekent verandering, toe-eigening betekent (meer vanuit spiritualiteit geformuleerd) omgevormd worden aan de Schrift. Deze persoonlijke toe-eigening heeft alles te maken met het werk van de Heilige Geest: het is de Geest Zelf die het Woord dat Hij geademd heeft, uitlegt en ingang doet vinden in het hart en leven van de mediterende. Deze Geest komt wanneer om Hem gebeden wordt. Het gebed behoort daarom onlosmakelijk tot de meditatie, sterker nog: aan alle meditatie van de Schrift dient het gebed om de Geest vooraf te gaan.

3. Voor de methodiek van de meditatie van de Schrift kan het beeld van de ruminatio model staan: de mediterende leest hardop de woorden van de Schrifttekst. Dat doet hij bij herhaling: voortdurend hoort hij zelf de woorden van de Schrift klinken. Zo komt het Woord van buiten naar binnen. Dit externe woord wordt geïnterioriseerd: de mediterende maakt zich de tekstwoorden eigen en leert ze van buiten en van binnen kennen. De centrale vraag die in deze meditatieve omgang met de Schrift wordt gesteld, luidt: Wat zegt en doet deze tekst in mijn leven? Of anders geformuleerd, want de gelezen Schrift moet worden tot het gehoorde Woord: Hoe resoneert Gods stem vanuit deze tekst in mijn leven?

4. Het sleutelwoord voor de meditatieve omgang met de Schrift is niet lezen, maar luisteren. Het (onmisbare) lezen blijft staan bij de letter. In het luisteren wordt de letter tot de stem van de Geest. De mediterende is naast lezer dus vooral hoorder van het Woord. Vervolgens zal hij, wanneer hij werkelijk gehoord heeft, ook ge-hoor-zamen en het Woord doen. Zalig is hij die Gods Woord hoort en doet.

5. Voor de meditatie bezien in het kader van het preek(voorbereidings)proces is het centrale punt het toe-eigenende en om-vormende karakter van de meditatieve omgang met de Schrift. De mediterende predikant moet eerst zichzelf het Schriftwoord waarover hij zal preken toe-eigenen en er zelf door worden omgevormd. Als hij zelf niet werkelijk hoorder van het Woord is geworden, mag hij dat ook van de kerkgangers niet verwachten.

6. Bezien vanuit de contemplatieve psychologie gaat het in de meditatie als vorm van omgang met de Schrift om een discipline van de verbeelding. Centraal in de disciplines van de verbeelding staat het zich eigen maken van die beelden en voorstellingen die een egocentrische werkelijkheidsbeleving kunnen transformeren in een theocentrische. Bij de meditatie van de Schrift gaat het dan vooral om de beelden en voorstellingen die in Schriftteksten worden aangereikt. Een en ander houdt in dat beelden in de meditatie een belangrijke rol spelen: beelden hebben een hoge inlevings- en ervaringswaarde. Ze laten zich het beste benaderen met inschakeling van alle vijf de zintuigen van de mens: horen, kijken, proeven, voelen, ruiken.

Meditatie als inoefening van de contemplatieve grondhouding

Meditatie is in de tweede plaats de aanduiding voor de inoefening van de contemplatieve grondhouding. Ook nu maak ik een aantal opmerkingen ter nadere karakterisering van deze meditatievorm.

1. Terwijl de meditatie als vorm van omgang met de Schrift is gericht op inhouden, richt de meditatie als inoefening van de contemplatieve grondhouding zich op een houding, namelijk een houding die bepalend is voor heel het leven van de mediterende. Deze houding noem ik hier de contemplatieve grondhouding. Vanuit de betekenis van contemplatie als ervaringsmatige ontmoeting met God vul ik die contemplatieve grondhouding in als een zoeken naar en een ervaren van en een vertoeven in Gods tegenwoordigheid. Waar de meditatie als vorm van omgang met de Schrift gericht is op het horen van Gods stem in de Schrift, is de meditatie als inoefening van de contemplatieve grondhouding gericht op de bewustwording en ervaring van Gods tegenwoordigheid in het eigen leven. ,,Contemplatief leven is het licht van de hemel zien schijnen over al het aardse; in al het aardse daarom een ontmoeting met de hemel kunnen hebben, het geheim van de dingen ontdekken in de oorsprong, die ze hebben in de Schepper.''

2. De meditatie als inoefening van de contemplatieve grondhouding bedoelt niet de tegenwoordigheid van God te bewerkstelligen. Het is eerder een open houding, een houding van wachtende ontvankelijkheid: `God, hier ben ik'.

3. Bepaalde (Schrift)teksten kunnen bij deze geestelijke oefening behulpzaam zijn. Te denken valt aan bijvoorbeeld het Jezusgebed (`Jezus Christus, Zoon van God, ontferm u over mij') en het sjema (`Hoor, Israël: de HERE is onze God; de HERE is één'). Het bij herhaling zachtjes uitspreken van deze korte teksten (op het ritme van de adem) kan helpen om zich te richten op God, de God die tegenwoordig is in heel het leven. Dergelijke teksten vervullen als meditatie-object een duidelijk andere rol dan in de meditatie als vorm van omgang met de Schrift: ze fungeren als aandachtspunt of concentratiepunt.

4. Bezien vanuit de contemplatieve psychologie gaat het in de meditatie als inoefening van de contemplatieve grondhouding om een discipline van de aandacht: de mediterende, die voortdurend wordt meegenomen in de maalstroom van zijn gedachten en de bezigheden van de dag, zoekt naar een rustpunt, zoekt naar de stilte om te ontkomen aan de geestelijke gejaagdheid en onoplettendheid. Door de hier bedoelde meditatieve oefening wordt hij zich (opnieuw) bewust van Gods tegenwoordigheid. Daardoor verdiept zich zijn denken, spreken en handelen.

Onderlinge afhankelijkheid

Meditatie is in deze studie dus de aanduiding voor zowel een vorm van omgang met de Schrift (meditatieve toe-eigening van inhouden) als voor de inoefening van de contemplatieve grondhouding (meditatieve inoefening van een houding). Deze beide vormen van meditatie kunnen niet zonder elkaar. De meditatieve omgang met de Schrift vooronderstelt (de inoefening van) een contemplatieve grondhouding: wie zich niet bewust wordt of is van Gods tegenwoordigheid, zal ook in de Schrift niet het tegenwoordige spreken van God horen. Wie andersom niet, gedreven door de Geest, hoort naar Gods stem zoals die tot ons komt in de Schriften, loopt het gevaar de tegenwoordigheid van een andere god te gaan ervaren dan de tegenwoordigheid van de Zich in de Schrift openbarende God. En verder: de meditatie als vorm van omgang met de Schrift ligt ingebed in het bredere kader van de meditatie als inoefening van de contemplatieve grondhouding terwijl de meditatie als inoefening van de contemplatieve grondhouding een verdichting vindt in de meditatie als vorm van omgang met de Schrift.

De onderlinge afhankelijkheid en nabijheid van deze twee vormen van meditatie komt ook hierin tot uitdrukking dat in beide geestelijke oefeningen centraal staat een door de Geest gegeven wachtende en luisterende ontvankelijkheid: ontvankelijkheid voor de stem van God in de Schrift en ontvankelijkheid voor de tegenwoordigheid van God in het leven.