Bijbellezingen: Genesis 1:26-31 en Galaten 3:19-29

1

Twee maanden terug hield ik een leerpreek over LHB en kerk waarin deze afbeelding centraal stond: het kwadrant van Boertjens. De bedoeling ermee was: rustig samen kijken naar welke mogelijke posities je kunt innemen in het gesprek over LHB-ers in de christelijke kerk. Waarbij elke plek op een eigen manier recht probeert te doen aan het spreken van de Heilige Schrift. Ik herhaal het nu even kort:

1 Herstel – Gods oorspronkelijke bedoeling is man-vrouwrelaties; homoseksualiteit wordt gezien als iets dat genezing of verandering vraagt.

2 Variaties omarmen – Man-vrouw-, man-man- en vrouw-vrouwrelaties worden allemaal gezien als gelijkwaardig en passend binnen Gods bedoeling. Genderdiversiteit hoort bij de schepping.

3 Celibatair leven – Gods bedoeling is man-vrouwrelaties. Wie homo of lesbisch is wordt van harte geaccepteerd, maar wel geroepen om alleen te blijven.

4 Tegemoetkomen aan gebrokenheid – Man-vrouwrelaties gelden als de bijbelse norm, maar homorelaties worden gezien als een genadig en pastoraal antwoord op ervaren eenzaamheid en gebrokenheid.

Het gaat over ménsen, zei ik toen. Niet allereerst over standpunten. Maar in de preek liet ik de broers en zussen over wie het ging niet aan het woord. En dat vind ik achteraf een gemiste kans. 

Dat wil ik goedmaken door straks de vier posities ook nog te benoemen vanuit het perspectief van iemand die homoseksueel of lesbisch is. Maar dat doe ik straks pas.

2

Eerst nog dit: naar aanleiding van de vorige preek kwam de vraag uit de gemeente waarom we steeds het woord homoseksualiteit gebruiken en niet homofilie. Daardoor lijkt het er misschien op dat we de seksuele kant van een relatie benadrukken, terwijl er veel meer is dan alleen die seksualiteit. Het gaat toch allereerst om relaties van liefde en trouw. Of je nu hetero of homo bent of lesbisch of bi: het diepe verlangen is hetzelfde. Het verlangen om gezien te worden. Om niet alleen door het leven te gaan. Om iemand te hebben bij wie je thuis mag komen. Iemand die je vasthoudt als het moeilijk wordt. Iemand met wie je kunt lachen, plannen maken, ouder worden. Iemand die bij je blijft, ook als het soms moeilijk is.

Dat klinkt misschien beter door in het woord homofilie. Dat komt van het Griekse philia, en dat betekent: vriendschap, genegenheid, verbondenheid. Het wijst niet in de eerste plaats naar de praktische seksualiteit van een stel, maar naar wat partners zijn voor elkaar: trouwe vrienden, geliefden, metgezellen op de weg van het leven.

Het woord is alleen inmiddels wat ouderwets gaan klinken en wordt eigenlijk nergens meer gebruikt. Ook niet in het spreken van de kerk hierover. Dat komt misschien ook hierdoor: toen deze thematiek besproken ging worden in de kerken, werd er een duidelijk onderscheid gemaakt tussen homofilie en homoseksualiteit. In de wandelgangen heette het dan: je mag het wel zijn (homofiel), maar niet doen (homoseksueel).

Maar die benadering ontkent de nauwe verwevenheid van onze seksuele identiteit, seksuele verlangens en gevoelens en onze lichamelijke seksualiteit. Dat zijn geen aspecten die je van elkaar los kunt koppelen. Dat gebruik van het woord homofiel doet te weinig recht aan alles wat samenhangt met onze seksuele identiteit. En die seksualiteit heeft dus ook niet alleen maar met doen, met de daad te maken, maar met heel onze lichamelijkheid, met al onze verlangens en gevoelens, met wie we zijn.

En nu we toch even stilstaan bij de begrippen die we gebruiken, is het helpend om te spreken over genderdiversiteit (vergelijkbaar met neurodiversiteit waar ik het een paar weken geleden over had). We zijn soms geneigd om het simpel te houden: je hebt mannen en vrouwen, jongens en meisjes. Voor veel mensen klopt dat ook. Zij herkennen zich in het geslacht dat bij hun geboorte duidelijk was en in de verwachtingen die daarbij horen.

Tegelijk laat de werkelijkheid zien dat deze tweedeling niet het hele verhaal vertelt. Er zijn mensen bij wie de innerlijke beleving van wie zij zijn – hun genderidentiteit – niet vanzelfsprekend samenvalt met hun biologische geslacht. Anderen voelen zich niet volledig man of vrouw, of ervaren hun gender als iets dat beweegt in de tijd. Weer anderen beleven gender als een spectrum in plaats van twee vaste hokjes. Daarin spelen ook genen, hormonen en ons brein een rol. Dat alles noemen we samen: genderdiversiteit.

Zorgvuldige taal is hierbij belangrijk. Taal vormt onze blik. Als we alleen in zwart-witcategorieën spreken, doen we geen recht aan echte levensverhalen. Dan bestaat het risico dat mensen zich onzichtbaar voelen of zich moeten aanpassen aan een plaatje dat niet past. Door ruimte te maken voor genderdiversiteit erkennen we dat mensen niet identiek zijn gemaakt, maar uniek.

In Genesis lezen we dat de mens geschapen is naar Gods beeld. Dat beeld is rijk, veelzijdig en relationeel. Opvallend is dat er staat dat God de mens ‘mannelijk’ en ‘vrouwelijk’ schiep – niet dus  ‘man’ en ‘vrouw’ als twee vastomlijnde categorieën, maar als een dynamische tweevoudigheid die samen het mens-zijn kenmerkt. Het gaat hier niet alleen om twee afzonderlijke personen, maar om mensen met mannelijke en vrouwelijke kenmerken. 

Deze blikrichting betekent niet dat alle vragen ineens opgelost zijn. Maar onze houding mag primair luisteren zijn: naar verhalen, naar worsteling, naar hoop. Want als we spreken over genderdiversiteit, spreken we niet over abstracte theorieën, maar over echte mensen. De vraag is uiteindelijk niet of de werkelijkheid complex is – dat ís ze – maar of wij bereid zijn die complexiteit met liefde, geduld en nabijheid tegemoet te treden.

4

En nu terug naar het kwadrant. Zoals gezegd: het gaat niet allereerst om standpunten, maar om broers en zussen in de christelijke gemeente die genderdivergent zijn, die hun seksuele identiteit anders beleven dan de meesten. Wat zou bijvoorbeeld een gelovige lesbienne, die nu alleen is maar die ook verlangt naar een partner, denken en ervaren als ze die vier ‘standpunten’ zo voor zich ziet?

Stel je haar even voor. Ze is christen, komt regelmatig in de kerkdiensten. Ze zingt mee. Ze bidt. Ze verlangt naar God. En tegelijk draagt ze dit stille verlangen in zich: om haar leven te mogen delen met iemand van wie ze kan houden. Om niet alleen thuis te komen. Om samen te eten, samen te lachen, samen oud te worden.

En dan ziet ze dat kwadrant. Vier vakken. Vier posities. Vier manieren waarop over háár leven wordt gesproken. Wat gebeurt er dan van binnen?

Bij het eerste vak, Herstel, hoort ze: “Gods bedoeling is man-vrouwrelaties.” En impliciet hoort ze: mijn verlangen moet dus veranderen, ik mag niet zijn wie ik ben. Misschien voelt dat voor haar als een appèl op iets wat ze al zo vaak heeft geprobeerd. Jarenlang gebeden. Gesmeekt. Gehoopt dat haar gevoelens anders zouden worden. En nu opnieuw die boodschap: wie jij nu bent, is niet goed genoeg. Dat doet zeer. Alsof haar liefde wordt gezien als een defect dat gerepareerd moet worden.

Bij het tweede vak, Variaties omarmen, ervaart ze misschien wel opluchting. Hier klinkt erkenning: mijn liefde mag bestaan. Mijn verlangen hoeft niet verstopt te worden. Hier voelt ze ruimte om te ademen. Tegelijk voelt ze zich ook onzeker: hoor ik er echt wel bij? Zouden andere mensen in de kerk dit ook wel zo zien?

Dan het derde vak, Celibatair leven. Hier hoort ze: je bent welkom, maar je moet alleen blijven. Je mag er zijn, maar zonder partner, zonder intieme levensverbinding met een geliefde. Misschien voelt dat dubbel. Enerzijds: erkenning van haar geloof, haar plek in de gemeente. Anderzijds: een levenslange eenzaamheid die ze zelf niet gekozen heeft. Maar ze vraagt zich ook af: zou God dit echt van mij vragen, om alleen te blijven, om celibatair te leven? Er zijn tenslotte ook heel veel anderen die alleen zijn omdat ze geen partner hebben, of omdat ze weduwe of weduwnaar zijn? Maar vraagt Gód dit echt van mij? Of leggen wij als kerkmensen dit elkaar op?

En dan het vierde vak, Tegemoetkomen aan gebrokenheid. Daar wordt haar relatie gezien als een pastorale noodoplossing. Niet ideaal, maar wel toegestaan. Ze voelt: mijn liefde is eigenlijk tweede keus. Niet helemaal fout, maar toch ook niet goed, maar beter dan niets. Ik word gedoogd.

Als ze zo langs die vier vakken loopt – en ik hoop dat het ons allemaal lukt om ons ook in haar in te leven – voelt ze misschien iets wat velen van ons niet voelen: dat haar bestaan onderwerp is van discussie. Dat haar verlangen wordt geanalyseerd. Dat haar toekomst in schema’s wordt geplaatst. Terwijl zij ondertussen gewoon probeert trouw te zijn aan Christus. Te leven met integriteit. Te zoeken naar vrede in haar hart.

Misschien helpt het ons om hier even stil te worden. Om te beseffen: vóór we standpunten innemen, ontmoeten we mensen. Mensen die willen geloven. Mensen die hoop hebben. Mensen die willen liefhebben. Mensen die worstelen, die falen zoals iedereen. Die Jezus willen volgen, al struikelend. Die niet vragen om theoretische antwoorden, maar om praktische nabijheid. Om gezien te worden. Om niet eerst als probleem opgelost te hoeven worden voordat ze erbij mogen horen.

En misschien is dat wel de meest christelijke vraag die we onszelf kunnen stellen. Niet: ‘Welk vak kies ik?’ Maar: ‘Hoe kan ik naast haar gaan staan? Hoe kan ik haar aankijken als zus in Christus? Hoe kan ik meedragen, meeleven, meelopen? Niet met afgeronde meningen, maar met opengehouden handen. Want uiteindelijk gaat het niet om het winnen van een wedstrijd in gelijk hebben, maar om het vormen van een gemeenschap rondom Jezus, met alle veelkleurige gebrokenheid die daarbij hoort. En daarin worden we allemaal uitgedaagd om leerling van Jezus te zijn en deelgenoot van zijn koninkrijk.

5

En hier wil ik nu een stap verder zetten. Want tot nu toe hebben we vooral gekeken naar de schepping en de gebrokenheid ervan, naar verschillen, naar ervaringen, naar pijn en verlangen. Maar als christelijke gemeente mogen we het daar niet bij laten.

We leven niet alleen vanuit Genesis, maar leven vooral en allereerst vanuit Chrístus. Niet alleen vanuit het begin van de wereld, maar ook vanuit het nieuwe begin dat God in Jezus heeft gegeven. Niet vanuit de wet maar vanuit het geloof.

Paulus schrijft in Galaten 3 dat de wet onze bewaker en toezichthouder was tot Christus, maar dat we nu, door het geloof, kinderen van God zijn. En dan zegt hij iets opvallends (3:25-27)

“Maar nu het geloof gekomen is, staan we niet langer onder toezicht, want door dit geloof bent u allen kinderen van God, in Christus Jezus. U allen die door de doop één met Christus bent geworden, hebt u met Christus omkleed.” 

Dat is bijzonder taal. Omkleed met Christus. We hebben door het geloof Christus aangetrokken. Dat betekent: onze diepste identiteit ligt niet in onze persoonlijke achtergrond, niet in onze prestaties, niet in onze mislukkingen, en ook niet in onze seksuele geaardheid of genderdivergentie. Onze diepste identiteit is: Christus.

En dan volgt die bekende zin: “Er is geen Jood of Griek, geen slaaf of vrije, geen man en vrouw: u bent allen één in Christus Jezus.”

Paulus zegt hier niet dat verschillen verdwijnen. We blijven man of vrouw, Jood of niet-Jood, verschillend in cultuur, in lichaam en geschiedenis. Maar hij zegt wel: deze verschillen bepalen niet meer wie boven staat en wie onder, wie binnen is en wie buiten, wie er wel bij hoort en wie er niet bij hoort. In Christus ontstaat een nieuwe werkelijkheid, een nieuwe familie, een nieuw gezin, een nieuw wij. Wij-zij denken staat haaks op het evangelie van Christus.

Dat is de stijl van het koninkrijk van God. Dat is een koninkrijk van standen en rangordes, van belangrijk en niet belangrijk, van ‘jij hoort er wel bij en jij niet’. Het is een koninkrijk van verbondenheid waar Jezus centraal staat. Geen gemeenschap die gebouwd is op zuiverheid en een selectieproces, maar op genade en roeping. In het koninkrijk van Jezus horen mensen niet bij elkaar omdat ze op elkaar lijken, maar omdat ze samen naar Hem toe leven. Want dat is je identiteit in Christus vinden: dat je naar Hem toe leeft, dat je naar Christus toe groeit. Niet je verleden en je afkomst of je gender zijn bepalend, maar de richting van je leven.

Dat betekent dat de kerk geroepen is om een oefenplaats te zijn van deze nieuwe menselijkheid. Een plek waar je niet eerst hoeft te bewijzen dat je ‘past’ voordat je mag meedoen. Een plek waar mensen met verschillende verhalen, verschillende wonden, verschillende verlangens en verschillende identiteiten samen leren leven in verbondenheid met Christus.

En dat raakt ook direct aan ons gesprek over LHB en genderdiversiteit in de kerk. De vraag is dan niet allereerst: wat vind ik ervan? Of: welk standpunt is het meest sluitend? Maar dieper: Hoe ziet het eruit om samen ‘met Christus omkleed’ te zijn? Hoe oefenen we een levensstijl waarin we elkaar niet vastpinnen op labels, maar elkaar steeds in al onze diversiteit opnieuw leren zien als broers en zussen die leven van genade?

Christus is daarbij niet alleen de waarheid (dit is de waarheid: dat God van ons houdt), Hij is ook onze weg, Hij is ook ons leven. En de levensweg in zijn koninkrijk is de weg van nederigheid, geduld, barmhartigheid en trouw. Niet snel zijn om te spreken en te oordelen, maar langzaam zijn in luisteren en liefhebben. Niet allereerst bezig zijn met meningsvorming, maar met karaktervorming: dat we allemaal verlangen om mens te zijn en mens worden: mensen van liefde, mensen van vreugde, mensen van vrede.

6

Daarom wil ik als laatste nog iets zeggen over de twee termen die in de vorige preek ook langs kwamen vanuit de besluiten van de synode van onze kerken: eenstemmigheid en eensgezindheid. In de synodebesluiten over LHB en kerk lezen we ook:

“Wij aanvaarden dat we binnen de kerk niet eenstemmig zijn over de vraag of Gods Woord ruimte biedt voor het aangaan en onderhouden van een homoseksuele relatie. In plaats van te zoeken naar eenstemmigheid, zoeken we naar christelijke eensgezindheid, waarbij allen zich zowel gezamenlijk als persoonlijk in oprechte verantwoording naar de Heer een overtuiging vormen en zichzelf en de ander aan Gods oordeel toevertrouwen.”

Dit vind ik zelf een van de belangrijkste zinnen uit dat hele synodebesluit. Omdat hier eerlijk wordt gezegd: we zijn het niet met elkaar eens. Er is geen eenstemmigheid. En die hoeven we ook niet per se te forceren, alsof verschillen meteen een bedreiging vormen voor de kerk. In plaats daarvan wordt er iets anders gevraagd: eensgezindheid.

Dat is een woord dat dieper gaat dan overeenstemming van meningen. Eensgezindheid gaat niet over hetzelfde denken, maar over hetzelfde verlangen. Over samen gericht zijn op Christus. Over samen buigen voor dezelfde Heer. Over samen willen leven van zijn genade. Het is de gezindheid waar Paulus over spreekt: de gezindheid van Christus zelf. Nederig. Dienend. Gericht op de ander.

Dat betekent dat we leren leven met verschil zonder elkaar los te laten. Dat we niet meteen etiketten plakken, maar elkaar blijven opzoeken. Dat we ruimte laten voor ieders eigen geweten, voor gebed, voor worsteling, voor verwarring, voor groei. Dat we het uiteindelijk durven toevertrouwen aan God.

Eensgezindheid als afspiegeling van die ene gezindheid van Christus waar Paulus over schrijft in Filippenzen 2 vers 5 en 2:

“Laat onder u de gezindheid heersen die Christus Jezus had. – Maak mij volmaakt gelukkig door eensgezind te zijn, één in liefde, één in streven, één van geest.”

We zingen: “Liefde, eenmaal uitgesproken”.