Lezen: Psalm 32; Romeinen 4:21-26; Heidelbergse Catechismus Zondag 12

Kijk de preek terug op YouTube:


Luister de preek terug als podcast:

Intro

Ik kreeg een tijdje terug een vraag over mijn preken. Die werd in alle vriendelijkheid en openheid gesteld en heeft mij aan het denken gezet. Deze vraag: “Klopt het dat het in jouw preken niet zoveel over zondebesef gaat?” Daar ga ik nu niet direct een antwoord op geven. Wel ga ik naar aanleiding van die vraag het hebben over: ‘Christusbesef’. Daar gaat onderstaande preek over

Preek

1

Toen ik wakker werd op de ochtend na de avond dat ik bedacht had om over zondebesef en Christusbesef te gaan preken, sloeg ik de digitale krant open en trof ik een column aan over Zondebesef. Het stond er warempel als titel boven:

Wat is een gezond zondebesef? 

‘Ben ik onoprecht als schuldgevoelens me niet constant overspoelen?’

Christine Stam en Gerjanne van Lagen stelden deze vraag: “Moet je je eerst schuldig genoeg voelen voordat je bij God mag komen en in Christus mag geloven?” Ze hadden er ook een podcast over opgenomen die ging over het nut en de ballast van zondekennis.

“We horen in de kerk eigenlijk elke zondag wel dat we zondaren zijn, daar wordt de nadruk op gelegd.” Dat werd door een van beiden ook wel weer wat genuanceerd. Maar toch: “Dat is altijd wel de grondhouding. Dat is de startpositie. Dat beamen we ook allemaal dat we zondaren zijn. Dat is een waarheid.”

2

Nu ga ik vanmiddag uiteraard niet ontkennen dat we zondaren zijn, dat er zonde in ons leven is en in de wereld. Maar waar ik het wel over wil hebben is de vraag wat dan precies de plek van zonde is in onze geloofsbeleving, in preken en nog wat algemener in het evangelie. En misschien is dat wel de belangrijkste vraag: wat is de plek van zonde in het evangelie van Jezus Christus? Roept Jezus ons op om zondebesef te hebben?

Vanmiddag wil ik vooral dit zeggen: we moeten niet de nadruk leggen op zondebesef, maar op Christusbesef. 

Dat laatste is een woord dat ik zelf tot nu toe eigenlijk niet gebruikte. Het kwam bij me op toen ik aan het nadenken was over die vraag naar dat zondebesef. 

Dat woordje ‘besef’ gaat erover dat je iets echt binnen laat komen. Dat je het niet alleen met je hoofd begrijpt en het verstandelijk weet, maar dat je van binnen erdoor geraakt wordt. We zeggen weleens tegen iemand: ‘Besef je wel wat je hebt gedaan?’ En dan willen we graag dat die ander niet alleen maar feitelijk toegeeft wat er is gebeurd, maar ook echt voelt en snapt wat er gebeurd is en wat daar de consequenties van zijn. Dat het die ander echt iets doet.

Nu is er in die zin met zondebesef natuurlijk ook niets mis. In Psalm 32 lazen we: 

“Zolang ik zweeg, teerden mijn botten weg,
kreunend leed ik, de hele dag.
Zwaar drukte uw hand op mij, dag en nacht,
mijn kracht smolt weg als in de zomerhitte.
Toen beleed ik U mijn zonde,
ik dekte mijn schuld niet toe,
ik zei: ‘Ik beken de HEER mijn ontrouw’.”

Dat is een heel persoonlijke schuldbelijdenis, van David. Hij geeft er woorden aan hoe dat voor hem is en voelt, dat er zonde in hem is. En maakt daar een gedicht van, een lied. 

Maar dit betekent niet dat elke christen op elk moment van de dag geroepen is om zich ook schuldig en zondig te voelen. Want dit laat David er op volgen:

“Laten uw getrouwen dus tot U bidden
als zij in zichzelf een zonde vinden.”

Die laatste zin is veelzeggend. David zegt niet: voel je voortdurend zondig, maar: bid wanneer je in jezelf een zonde vindt. Met andere woorden: zondebesef is niet een permanente grondhouding. Het hoort bij momenten van ontdekking, wanneer iets aan het licht komt dat niet klopt. Dan is de weg: niet blijven rondcirkelen in schuldgevoel, maar je wenden tot God en je zonde belijden en vergeving ontvangen.

De toonzetting van de Psalm vinden we al aan het begin. Het begint met met zondebesef, maar met wat ik maar even ‘vergevingsbesef’ noem:

“Gelukkig de mens wiens ontrouw wordt vergeven,
wiens zonden worden bedekt.
Gelukkig als de HEER zijn schuld niet telt,
als in zijn geest geen spoor van bedrog is.”

Er is vergeving – dat zet de toon. Niet: jij bent zondig, en dat moet eerst maar eens heel diep tot je doordringen en dan mag je naar Jezus toe. Nee, er is vergeving. En het bestaat blijkbaar ook dat er in je geest “geen spoor van bedrog is”. Dat je oprecht bent, en zuiver tegenover God staat.

Ik herhaal nog eens dat het er niet over gaat dat zonde maar niet ter sprake moet worden gebracht, omdat dat achterhaald is of niet nodig. Er zijn talrijke plaatsen in de Bijbel waar dat gebeurt. Eén voorbeeld, 1 Johannes 1:8-9:

“Als we zeggen dat we de zonde niet kennen, misleiden we onszelf en is de waarheid niet in ons. Belijden we onze zonden, dan zal Hij, die trouw en rechtvaardig is, ons onze zonden vergeven en ons reinigen van al het onrecht dat wij bedrijven.”

3

Maar het min of meer verzelfstandigen van het moeten hebben van zondebesef, dat je steeds moeten bedenken en zeggen dat je zondig en schuldig bent – daar zijn echt wel vraagtekens bij te plaatsen vanuit de bijbel en het evangelie.

Ik ga daar puntsgewijs een aantal dingen over zeggen. Wat is er mis of kan er misgaan als er een sterke nadruk wordt gelegd op zondebesef?

(1) Een sterke nadruk op zondebesef werpt ons steeds op onszelf terug. Het geloofsleven gaat dan draaien om innerlijke zelfinspectie: voel ik me schuldig genoeg, is mijn zondebesef diep genoeg, oprecht genoeg? Dat kan uitlopen op een chronisch vaag gevoel van tekortschieten. Het kan zelfs uitlopen op schuldgevoel omdat je te weinig schuldgevoel hebt. De blik is voortdurend naar binnen gericht, terwijl het evangelie ons juist naar buiten wil trekken: naar God toe.

(2) Zondebesef wordt zo gemakkelijk een voorwaarde, een startpunt. Alsof je eerst door een bepaalde mate van schuld heen moet voordat je bij God mag komen. (Daar ging het in de podcast die ik aan het begin noemde ook over, tegen de achtergrond van een meer reformatorische geloofsbeleving waar dit sterk speelt.) Wat mij opvalt is dat het bijvoorbeeld ook in het Onze Vader niet zo werkt. De bede om vergeving komt pas op de vijfde plaats. Eerst is er Gods naam, Gods koninkrijk, Gods wil, dagelijks brood. Jezus zegt elders: Zoek eerst het koninkrijk van God. Zondebesef staat dus niet aan de voordeur van het geloof, maar krijgt een plek binnen de al op gang gekomen omgang met God.

(3) Het evangelie zelf begint er niet mee. Jezus legt het accent niet op zondebesef, maar op het koninkrijk van God. Eerst is er zijn uitnodiging: “Het koninkrijk van God is nabij.” En pas dan roept Jezus mensen op tot bekering. Zonde is niet een los moreel thema. Het komt bij Jezus altijd ter sprake in relatie, in zijn nabijheid. Zonde wordt meestal ontdekt door mensen die dichtbij Jezus komen. En als Jezus zegt tegen een vrouw die wordt beschuldigd van overspel dan klinken niet de woorden “Heb eerst maar eens een dieper zondebesef”. Maar dan zegt Jezus ná de ontmoeting, de genezing, de vergeving: “Ga heen en zondig niet meer.” 

(4) Jezus wordt kleiner gemaakt dan Hij is wanneer zondebesef het centrum wordt. Dan wordt Hij vooral of zelfs bijna uitsluitend degene die onze zonden vergeeft, en weinig meer dan dat. Het evangelie versmalt: alsof het alleen draait om schuld en genade. Maar Jezus is meer dan alleen maar de oplossing voor ons zonde probleem. Hij is Heer, Licht, Leven, Koning. 

(5) Nadruk op zondebesef kan snel moralistisch worden. Zonde wordt dan vooral: alle dingen die ik fout doe. Maar Paulus gaat dieper als hij in Romeinen 3:23 zonde als het ware definieert: “iedereen heeft gezondigd en ontbeert de nabijheid van God.”  Zonde is niet in de eerste plaats een lijst overtredingen en fouten die we maken, maar zondigen is leven buiten de ruimte van Gods nabijheid, buiten de ruimte van zijn liefde en zijn leven, buiten het Koninkrijk dus. En om die zonde te kennen, zul je eerst moeten weten wat het Koninkrijk van God is dat in Christus voet aan de grond op aarde heeft gekregen.

(6) Nadruk op zondebesef leggen staat ook op gespannen voet met iets wat we ook in de Heidelbergse Catechismus lezen. Want we belijden niet allereerst onze zonde, we belijden ‘de vergeving van onze zonden’. In Zondag 21 lezen we: “Omdat Christus voldaan heeft, wil God nooit meer denken aan al mijn zonden, ook niet aan mijn zondige aard.” 

Sta daar eens bij stil: God wil er nóóit meer aan denken. (…) Waarom zouden wij dat dan wel moeten? (…) Waarom zouden wij onthouden en er steeds op terugkomen wat God allang vergeten is?

4

Voor mij was die vraag naar zondebesef en het feit dat het daar in mijn preken niet zoveel over gaat dus de aanleiding om hier nog eens wat dieper over na te denken. Maar daarbij groeide er ook een ander woord in mij. ‘Christusbesef’. Ik bedacht dat ik daar de nadruk op leg in mijn preken. 

Christusbesef. Dat woordje ‘besef’ gaat er ook nu over dat je iets echt binnen laat komen. Dat je het niet alleen met je hoofd begrijpt en het verstandelijk weet, maar dat je van binnen erdoor geraakt wordt. Christusbesef is: dat je wakker wordt voor de levende aanwezigheid van Jezus Christus, hier en nu. Het is meer dan weten of geloven met je hoofd. Het is leren zien, voelen en leven vanuit zijn nabijheid, zijn liefde en zijn weg. Christusbesef groeit waar aandacht, vertrouwen en overgave samenkomen in het gewone leven, en waar je ontdekt: Hij draagt mij, en ik mag Hem volgen, Hij is om mij heen en in mij.

En daarbij is het zo belangrijk om niet alleen en niet allereerst door de bril van de zonde kijken. Want dan zien we alleen maar een gekruisigde Jezus. En dan vergeten we dat Hij zo onnoemelijk veel meer is dan alleen zijn dood aan het kruis. Als we Christus zeggen, als we Jezus de Christus noemen, dan gaat er een eindeloze goddelijke wereld voor ons open. Want Christus is niet alleen de Jezus, de Zoon van God en mensen, die hier op aarde 33 jaar geleefd heeft, die geleden heeft, gestorven is en is opgestaan. Nee, Hij is de Heer van hemel en aarde. Al bijna 2000 jaar lang is Hij niet meer de op aarde rondlopende Jezus maar de Christus die het heelal vervult, die alles is in allen, die Koning en Schepper is, almachtig, alomtegenwoordig. Hij is de Christus die deze wereld in zijn hand houdt en die zelfs woont in ons. 

5

We lazen Zondag 12 omdat daar de naam Christus wordt uitgelegd en omdat we daar een beeld krijgen van de alomvattendheid van wie Jezus als de Christus is. Wie Christus zegt, zegt heilige Geest, want Hij is door de Vader met de Heilige Geest gezalfd. Wie Christus zegt, zegt daarmee ook koninkrijk, want het koninkrijk van God op aarde zoals in de hemel is niets anders dan de heilige Geest van Christus die zijn allesomvattende werk doet. Waar de Geest waait, daar is het Koninkrijk en daar is de Aanwezigheid van Christus.

En Zondag 12 helpt ons om dat wat ik vandaag Christusbesef noem te verdiepen. Want wie Jezus de Christus noemt, zegt daarmee iets heel concreets over wie Hij is en wat Hij doet, nu en altijd en eeuwig en overal. Zondag 12 spreekt over Christus als Profeet, Priester en Koning. Dat zijn geen losse titels, maar dat zijn drie manieren waarop Christus’ Aanwezigheid ons leven raakt.

Christus is Profeet. Dat betekent: Hij laat ons God kennen. Niet alleen door woorden en onderwijs, maar door wie Hij zelf is. In Hem wordt zichtbaar hoe God is: vol ontferming, genade en waarheid, verlossend en bevrijdend. Christusbesef begint hier: dat je je door Hem laat aanspreken, onderwijzen, wakker maken. Dat zijn licht opgaat in je leven. Niet om je te veroordelen, maar om je te verlossen.

Christus is Priester. Dat raakt het hart van de verzoening. Hij draagt onze zonden, niet omdat wij daar zo intens mee bezig zijn, maar omdat Hij ze van ons overneemt en wegdraagt, zo zelfs dat God er nooit meer aan denkt. Hij verbindt ons als mensen op aarde met God in de hemel. En aarde en hemel blijken dan veel dichter bij elkaar te zijn dan we dachten. Christusbesef betekent hier: dat je rust vindt in de Zoon van God die alles voor jou gedragen heeft en jou nu draagt. Dat je leeft vanuit de vergeving die er al lang is, nog voordat je bestond. Juist het priesterlijke werk van Christus bevrijdt ons als we last hebben van een beklemmend gevoel vanwege onze zonde.

En Christus is Koning. Hij regeert. Niet op de manier die we vandaag veel zien in de wereld, met vertoon van macht en brutaliteit. Maar op een levendmakende manier, door zijn Geest en zijn Woord. Hij is de Almachtige en eindeloos liefdevolle Koning die ons uitnodigt om onder zijn heerschappij te leven, in het Koninkrijk van vrede, gerechtigheid en vreugde. Christusbesef betekent hier: je laten leiden, je leven richten op Hem, meebewegen met zijn Geest in het alledaagse, Hem ook als Koning in je hart laten wonen.

6

En dan krijgen wij zelf tenslotte ook nog een naam, een identiteit. We worden geen zondaren genoemd, maar christenen. Wij delen in de zalving van Christus. Dat is de toonhoogte van ons leven als we in Hem geloven. We zijn lid van Christus, intens met Hem verbonden. Hij in ons en wij in Hem. Of zoals Paulus het een keer zegt: “Niet meer ik, maar Christus leeft in mij.” Niet meer ik, maar Christus. En als Christus in mij leeft dan krijgt mijn leven een profetische, priesterlijke en koninklijke kleur. Mijn leven wordt profetisch want zijn naam klinkt er in door: Christus. Mijn leven wordt priesterlijk want dat leven wordt een dankoffer voor Hem: Christus. Mijn leven wordt koninklijk want de zonde verliest haar greep op mijn leven omdat er een andere macht werkzaam is, de macht van de Geest van Christus. Nu en in eeuwigheid.

Ik hoop dat deze preek je helpt om te groeien in Christusbesef. Dat je ernaar verlangt dat Christus steeds groter en mooier wordt in je leven, steeds belangrijker en verlossender en bevrijdender. En het leid dat we nu samen als amen zingen helpt ook om dat Christusbesef te cultiveren, te verdiepen, te vernieuwen. Want Hij is de Weg, de Waarheid en het Leven.