Preek | Ik voel me (niet) geroepen
Bijbellezing: Exodus 3:1-15 en 4:1-5 en 10-17
1
Heb je dat weleens gezegd of gedacht: “Ik voel me niet geroepen”? Misschien klinkt dat meteen heel groot en kerkelijk, maar het zit ook vaak in kleine, concrete momenten.
Bijvoorbeeld: je ziet dat iemand in je omgeving vastloopt of een probleem heeft – een collega, een buur, iemand in de gemeente – en je voelt ergens een duwtje: ik zou eens moeten bellen. Ik zou eens moeten vragen hoe het echt gaat. Ik zou een appje kunnen sturen. En tegelijk komt de gedachte: wie ben ik om me daarmee te bemoeien? Straks zeg ik iets verkeerds en maak ik het alleen nog maar erger. Laat een ander dat maar doen. – Ik voel me niet geroepen.
Of er komt een taak of verantwoordelijkheid op je pad. Dat kan in de kerk zijn als je ergens voor wordt gevraagd. Maar het kan ook op je werk zijn, of in je gezin, of in de buurt waar je woont. Anderen zien blijkbaar iets in jou. Ze vragen of jij het wilt oppakken. Maar van binnen hoor je meteen: daar ben ik niet geschikt voor, daar heb ik de energie helemaal niet voor, ik heb helemaal geen tijd. – Ik voel me niet geroepen.
In zulke momenten sta je eigenlijk op heilige grond, net als Mozes. Je staat dan wel niet bij een brandende doornstruik, maar midden in het gewone leven. Juist daar begint roeping vaak: als een zachte stem, als een appèl dat op je gedaan wordt, als een uitnodiging die je hoort of voelt om een stap te zetten.
Daarom is het verhaal dat we lazen niet alleen een verhaal van toen, maar ook van nu. Het laat zien wat er in een mens gebeurt wanneer God dichtbij komt. Het verhaal van Mozes is een bekend roepingsverhaal. Wat mij daarin treft, is hoe eerlijk het in de Bijbel wordt verteld. Alle tegenwerpingen en bezwaren van Mozes krijgen ruimte; ze worden nergens weggemoffeld.
Dat kan ook heel anders, bijvoorbeeld als Jezus zijn leerlingen roept. In Matteüs 4 lezen we: “Hij zei tegen hen: ‘Kom, volg Mij, Ik zal van jullie vissers van mensen maken.’ Ze lieten meteen hun netten achter en volgden Hem.”
Misschien vertelt Matteüs het wel heel kort. Misschien laat hij de twijfels weg. Zouden die eerste leerlingen dan geen bezwaren hebben gehad? Of zou de krachtige en vriendelijke aanwezigheid van Jezus direct al hun bezwaren hebben laten smelten als sneeuw voor de zon?
2
Hoe het ook precies gegaan is bij die eerste leerlingen: bij Mozes krijgen we in elk geval iets te zien wat wij maar al te goed herkennen. Als God hem roept, staat hij niet te juichen. Nee, hij heeft bezwaren. Het zijn er precies vijf.
En ik maak nu even een heel kort uitstapje naar de kerkgeschiedenis, voor de liefhebber. In de 17e eeuw was er in de kerk in Nederland een vernieuwingsbeweging met de naam: Nadere Reformatie. Die beweging vroeg aandacht voor de innerlijkheid van het geloof, de beleving ervan in het hart. Een van de predikanten van toen heette Willem Schortinghuis. Hij schreef een boek met de titel ‘Het innige christendom’. In dat boek schrijft hij over het besef dat de mens uit zichzelf niets is of kan doen voor zijn eigen redding, en dat je alles van God moet verwachten. En daarvoor gebruikt hij de zogenaamde vijf dierbare nieten: ik wil niet,
ik kan niet, ik weet niet, ik heb niet, ik deug niet.
Dat is best somber. Misschien herken je er ook wel direct één die ergens in je ziel ligt en steeds van zich laat horen. Ik moest aan die vijf dierbare ‘nieten’ denken toen ik dit verhaal las. Want Mozes komt met precies vijf bezwaren als God hem roept: Ik wil niet, ik kan niet, ik weet niet, ik heb niet, ik deug niet.
Ik wil me samen met jullie een beetje inleven in die vijf bezwaren van Mozes. Ik hoop dat we er iets van kunnen leren voor als er in ons leven een roeping tot klinken komt, als er een appèl op ons wordt gedaan waarvan we vermoeden dat het bij God vandaan komt.
3
Mozes staat daar dus bij die brandende doornstruik bij de berg van God. God komt daar met vuur zijn leven binnen. Hij roept hem: ‘Mozes! Mozes!’ Mozes doet zijn schoenen uit en bedekt zijn gezicht want hij durft niet naar God te kijken. Dit is heilige grond.
God zegt: ik heb de ellende van mijn volk in Egypte gezien. Ik heb hun jammerklacht gehoord. Het is genoeg geweest nu, Ik ga hen bevrijden. “Daarom stuur Ik jou nu naar de farao: jij moet mijn volk, de Israëlieten, uit Egypte wegleiden.” Dat is heel concreet: God spreekt overduidelijk, en de roeping is dat ook. Dat is bij ons meestal heel anders. Daar kom ik straks nog wel op terug maar nu horen we de vijf nieten van Mozes.
3.1
Eerste bezwaar (3:11): “Wie ben ik dat ik naar de farao zou gaan en de Israëlieten uit Egypte zou leiden?” (Ik deug niet.)
Dat is eigenlijk prachtig, die bescheidenheid van Mozes. Bescheidenheid siert een mens. En dit is ook een heel andere Mozes dan de Mozes van veertig jaar geleden. Toen dacht hij: “Laat ik nou eens even een daad van bevrijding stellen: ik sla een Egyptenaar dood.” Hij begon toen op eigen initiatief. God had hem niet geroepen. Dat deed Mozes zelf. Hij hoorde naar zijn eigen stem. Zijn eigen hart. Dat is wel heel anders dan nu.
En hij zegt niet: “Heer, ik ben nu 40 jaar ouder en wijzer: laat mij deze klus maar opknappen. U bent bij mij aan het goede adres.” Maar dat doet Mozes niet. Hij is bescheiden. Hij zegt: daar deug ik helemaal niet voor.
En God gaat geduldig en vriendelijk mee in wat Mozes zegt. Hij helpt Mozes al direct om niet naar zichzelf te kijken. Naar wat hij wel of niet zou kunnen, of hij wel of niet geschikt zou zijn. God zegt eenvoudigweg: “Ik zal bij je zijn.”
Hoe mooi is dat: tot een taak geroepen worden, en horen van God zelf: “Ik zal bij je zijn.” Je bent niet alleen. Je hoeft het niet in eigen kracht te doen. “Ik zal bij je zijn.”
3.2
Maar Mozes komt met een tweede bezwaar (3:13): “Stel dat ik naar de Israëlieten ga en tegen hen zeg dat de God van hun voorouders mij gestuurd heeft, en ze vragen: ‘Wat is de naam van die God? Wat moet ik dan zeggen?” (Ik weet niet.)
Dat wringt wel een beetje dat Mozes dat zo zegt. Want hij staat nog steeds bij die brandende doornstruik. En God heeft net al gezegd: “Ik ben de God van je vader, de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob.” Je proeft dat Mozes er verlegen mee is, omdat dit allemaal zo groot is. “Ik weet niet wie U bent…” En wat is het dan geduldig en genadig van God dat Hij dat Mozes niet kwalijk neemt. Hij gebruikt het bezwaar van Mozes zelfs om een nog nooit eerder gehoord antwoord te geven.
God zegt: “Ik ben die er zijn zal. Zeg daarom tegen de Israëlieten: “IK ZAL ER ZIJN heeft mij naar u toe gestuurd.” Dit is in het Oude Testament één van de belangrijkste openbaringen van God in woorden, dat Hij dit zegt, dat Hij Zichzelf zo noemt: “Ik ben die ik ben. Ik zal zijn die er zijn zal. Ik ben zoals niemand anders is.”
Dat is een mysterieuze naam, een naam waar christenen al eeuwen over lopen te dubben: wat betekent dat nou precies, dat God dat zegt? “Ik ben die ik ben, ik zal zijn die er zijn zal.” Het is tegelijk ook de naam die we later terughoren als Jezus over zichzelf spreekt. Ik ben. Ik ben het leven. Ik ben de weg. Ik ben de waarheid. Ik ben de ware wijnstok. Ik ben het licht voor de wereld.
“Ik ben die Ik ben.” Er zit ook dynamiek en beweging in die naam. Je zou de naam een beetje vrij ook zo kunnen vertalen: “Ik zal er zijn. Ga maar op weg. Ik ga met je mee.” Ik ben er altijd bij.
Wat een prachtige openbaring van de Naam van God. En je zou hopen dat het Mozes voldoende vertrouwen zou geven.
3.3
Maar er komt een derde bezwaar (4:1): “Ze zullen me vast niet geloven en niet naar me luisteren. Ze zullen zeggen: ‘De HEER is helemaal niet aan jou verschenen.’” (Ik vertrouw niet.)
Mozes heeft er geen vertrouwen in. Hij heeft geen vertrouwen in God, maar hij heeft ook geen vertrouwen in de mensen. Hij ziet het al voor zich: wantrouwende blikken, afwijzende reacties, mensen die hun schouders ophalen. “Ze zien me aankomen…” En misschien zit daar dit onder: de angst om zelf afgewezen te worden.
Dat is ook weer een herkenbaar bezwaar. Wanneer wij ons geroepen voelen om iets te doen of te zeggen, kan dezelfde twijfel opkomen: heeft het wel zin? Zal iemand hier iets mee doen? Of sta ik straks alleen? Gebrek aan vertrouwen kan verlammend werken.
God reageert opnieuw niet met verwijten. Dat is belangrijk om te zien: er is ruimte voor bezwaren. God geeft wel tekenen: concrete ervaringen die laten zien dat Hij het echt Zelf is die Mozes roept. Zo helpt de HEER Mozes stap voor stap dat zijn roeping niet gebaseerd op wat hij kan, of voelt, of wil, maar op Gods trouw. God is ons vertrouwen waard.
3.4
Maar Mozes komt met een vierde bezwaar (4:10): “Neemt U mij niet kwalijk, Heer, maar ik ben geen goed spreker. Dat is altijd al zo geweest, en daar is geen verandering in gekomen nu U tegen mij, uw dienaar, gesproken hebt. Ik kan moeilijk uit mijn woorden komen.” (Ik kan niet.)
Dus Mozes zegt zoveel als: de afgelopen vijf minuten ben ik door U (God) nog niet veranderd. Dat spreken van mij is drie keer niks. Dus laat u mij dat alstublieft niet doen. U hebt de verkeerde man voor u.
En opnieuw laat God merken dat Mozes niet zo met zichzelf bezig moet zijn, maar naar Hem moet kijken. “Heb wat meer verwachting van wat Ik kan doen, Mozes.” “Wie heeft de mens een mond gegeven? Wie anders dan Ik de Heer? Ga nu! Toe nou ga nou. Ik zal bij je zijn als je moet spreken. En Ik zal je de woorden in de mond leggen.”
Dat zegt Jezus later ook een keer tegen zijn discipelen (Matteüs 10:19-20): “Vraag je niet bezorgd af hoe je moet spreken of wat je moet zeggen. Want wat je moet zeggen, zal je op dat moment worden ingegeven. Jullie zijn het immers niet zelf die dan spreken, het is de Geest van jullie Vader die in jullie spreekt.” Een prachtige belofte! Zo zegt God het nu ook tegen Mozes.
En je zou hopen dat Mozes zich nu gewonnen geeft. Een God die zo dichtbij je komt dat zijn Geest in je woont en die je de woorden geeft die je moet spreken, aan zo’n God kun je je toch toe vertrouwen?
3.5
Maar dan komt er toch een vijfde bezwaar (4:13): “Neemt U mij niet kwalijk, Heer, stuur toch iemand anders, wie U maar wilt.” (Ik wil niet.)
Het hoge woord komt er nu uit. “Ik voel me niet geroepen. Ik wil het gewoon niet.” Mozes wil met rust gelaten worden. Hij wil gewoon schapen weiden in de woestijn en geen volk bevrijden uit het land Egypte.
En nu is Gods geduld wel op. Hij wordt kwaad. Maar er gebeurt niet iets heel ergs nu. Het vuur in de brandende doornstruik brandt nog steeds. Maar het vuur bereikt Mozes niet. God gaat toch met hem door. Hij zorgt voor hulp voor Mozes in de persoon van zijn broer Aäron, die wel goed kan spreken. In het Nieuwe Testament wordt het een keer zo gezegd (1 Tessalonicenzen 5:24): “Hij die u roept is trouw en komt zijn belofte na.”
Mozes gaat uiteindelijk. Maar heel dit verhaal focust onze aandacht op God: God is erbij, God geeft wat nodig is, God laat je niet in de steek, God helpt je. Dat komt allemaal mee in de roeping.
4
Maar hoe is dat nu voor ons? Ik zei al dat de roepstem van God niet altijd net zo duidelijk ons leven binnenkomt als bij Mozes. Wij staan meestal niet bij een brandende doornstruik. Er klinkt geen stem uit de hemel die onze naam twee keer roept.
In ons leven nu klinkt Gods roepstem vaak veel stiller. In een vraag die op ons afkomt. In ogen die ons aankijken. In een verlangen dat in ons hart groeit. In woorden uit de Bijbel die ons raken. In een taak waarvoor we gevraagd worden. En wat leren we dan van dit verhaal. Hoe kunnen we er verder mee? Drie dingen daarover.
(1) Laat het steeds een oprechte vraag van jezelf zijn: Hoor ik in wat er nu op me afkomt de stem van God? Roept Hij mij? We staan misschien vaker op heilige grond dan we denken. Die vraag kun je je zelf ook bewust stellen: Sta ik nu misschien op heilige grond? Roept God me tot iets?
(2) Je bezwaren mogen er zijn. We zijn maar mensen van vlees en bloed, met onze mogelijkheden én onze onmogelijkheden. In alle oprechtheid kunnen we zeggen: Ik deug niet. Ik weet niet. Ik vertrouw niet. Ik kan niet. Ik wil niet. En ik vind het heel genadig in dit verhaal dat God Mozes niet direct bij zijn eerste bezwaar al afkapt. Hij gaat er geduldig in mee. Zie je bezwaren oprecht onder ogen, duw ze niet weg, wees er open over. Maar probeer ook te luisteren naar wat God of iemand anders er misschien tegenover plaatst. Onze bezwaren zijn niet het eind van alle tegenspraak, maar een aanleiding om nog dieper naar God te luisteren.
(3) Denk groot over God. Heb geen hoge verwachtingen van jezelf maar wel van Hem. Hij is erbij. Hij zegt in alles wat er op je afkomt: “Ik ben die Ik ben. Ik zal er zijn. Ga maar op weg. Ik ga met je mee.” In elke roeping komt ook Jezus mee, met kracht en vriendelijkheid. En de Geest is erbij om je te helpen en de weg te wijzen.
Gesprekvragen
- In welke momenten uit je eigen leven herken je het gevoel: “Ik voel me niet geroepen”. En wat gebeurt er dan vanbinnen bij je?
- Wat raakt je het meest in het verhaal van Mozes bij de brandende doornstruik (Exodus 3–4). Waar komt dat door?
- De preek noemt de vijf bezwaren van Mozes: ik deug niet, ik weet niet, ik vertrouw niet, ik kan niet, ik wil niet. Welke herken jij het sterkst in jezelf?
- God zegt tegen Mozes: “Ik zal bij je zijn.” Wat betekent die belofte voor jou persoonlijk wanneer je voor een moeilijke taak of keuze staat?
- In Matteüs 10:19-20 belooft Jezus dat Gods Geest woorden kan geven op het juiste moment. Heb je ooit ervaren dat je geholpen werd om iets te zeggen of te doen boven je eigen kunnen?
- De Naam van God wordt uitgelegd als: “Ik zal er zijn.” “Ga maar op weg, Ik ga met je mee.” Hoe verandert dat beeld van God je kijk op roeping en op het dagelijks leven?
- Wanneer sta jij volgens jou “op heilige grond” in het gewone leven, en hoe kun je dat leren herkennen?
- De preek zegt dat bezwaren er mogen zijn. Hoe kun je eerlijk zijn over je twijfels en tegelijk open blijven voor Gods leiding?
- Welke van de drie handreikingen uit het slot van de preek wil je in elk geval vaker toepassen? (1. Hoor ik de stem van God? Sta ik op heilige grond? 2. Zie je bezwaren oprecht onder ogen! 3. Denk groot over God!)
- Wat zou een kleine, concrete stap kunnen zijn waarin jij deze week gehoor geeft aan een appèl dat je voelt?
Werkvormen
Luisteroefening
Lees samen langzaam Exodus 3:1-12. Neem daarna een minuut stilte. Laat ieder één woord of zin noemen die bleef hangen en vertel kort wat dat woord oproept voor het eigen leven.
De vijf nieten op tafel
Leg vijf kaartjes neer met de bezwaren van Mozes. Laat ieder een kaartje kiezen dat hem of haar aanspreekt en kort delen waarom. Bid of spreek daarna samen een bemoedigende zin uit die daar tegenover staat.
Heilige-grond-momenten
Laat iedereen een recente situatie tekenen of beschrijven waarin hij of zij mogelijk “op heilige grond” stond. Bespreek in tweetallen wat er gebeurde en wat een volgende stap had kunnen zijn.
