Lezen: Psalm 1, Spreuken 3:12-20, Marcus 8:22-26

Kijk de preek terug op YouTube:

Luister de preek terug als podcast:


1

Ik neem jullie even mee terug in de tijd. We gaan naar 1977. Ik was een jongetje van 8 jaar en woonde in Zuidhorn. Dat is dus al bijna 50 jaar geleden. We gingen in dat jaar met onze lagere school klas naar het net aangelegde park in Zuidhorn Er was een rond betegeld plein, en daar omheen werden die dag een groot aantal jonge bomen geplant.

Deze schijf van een boomtak kregen we als aandenken mee: ‘Nationale boomfeestdag 1977’. Op de achterkant schreef ik de precieze datum: 16 maart, het was een woensdag. Afgelopen woensdag zijn Joke en ik naar Zuidhorn toe gegaan (we moesten voor iets anders in Groningen zijn) en we hebben de plek opgezocht waar ik toen die boom heb geplant.

Hier zie je een paar foto’s van bomen in dat park nu (ik weet niet meer precies welke boom het was). Ik ben niet opgegroeid met een bijzondere liefde voor de natuur. Toch zijn een paar natuurherinneringen me altijd bijgebleven. Eén daarvan is ook dat ik op camping Bergzicht in Ommen waar we jarenlang naartoe gingen – vijf weken kamperen – ‘s morgens wakker werd van het koeren van een duif in een van de hoge bomen die achter onze tent stonden.

En dus die boomplantervaring is met me meegegaan. Blijkbaar heeft dat moment zich ergens diep in mij vastgezet. Want bijna vijftig jaar lang heb ik dit schijfje bewaard. Waarom? Dat weet ik eigenlijk zelf ook niet helemaal. Misschien plantte ik die dag niet alleen een boom. Misschien werd er ook een klein zaadje in mij geplant.

2

‘Kijk naar de bomen!’ Dat is de boodschap van deze preek. En dat is zeker ook bedoeld als een variatie op wat Jezus zegt in de Bergrede: “Kijk naar de vogels in de lucht” (Matteüs 6:26). En: “Kijk eens naar de lelies, kijk hoe ze groeien in het veld” (Matteüs 6:28). En als je erop let dan ontdek je dat Jezus voortdurend wijst op de natuur, op alles wat God geschapen heeft: naar een zaaier die zijn zaad uitstrooit, naar de verschillende soorten grond waarop het terechtkomt, naar het kleine mosterdzaadje dat uitgroeit tot een grote boom, naar een wijnstok met zijn ranken, naar een vijgenboom die vrucht draagt, naar de oogst op de akkers, naar vissen en visnetten, naar de wind die waait waarheen hij wil. Heel de schepping is voor Jezus een en al onderwijzing over het Koninkrijk van God.

We focussen ons vandaag dus op bomen. En we kijken eerst even mee met die blinde man uit Marcus 8 die wordt genezen (daarna stappen we over naar Spreuken 3 en Psalm 1). Ik heb dat altijd heel bijzonder gevonden. Het is de enige genezing door Jezus die in twee fases verloopt.

Jezus “pakte de blinde bij de hand en bracht hem buiten het dorp. Hij deed wat speeksel op zijn ogen, legde er zijn handen op en vroeg: ‘Ziet u iets?’”

Wat een bijzondere vraag. Jezus vraagt niet meteen: ‘Kun je nu weer zien?’ Hij vraagt veel voorzichtiger: ‘Zie je iets?’ Alsof Hij de man uitnodigt om onder woorden te brengen wat er binnen in hem gebeurt. Alsof Jezus zegt: ‘Vertel eens: wat neem je waar? Wat gaat er voor je open?’ Het is een vraag die ook aan ons gesteld kan worden. Zie je iets? ZIe je iets nieuws? Gaan jouw ogen open voor iets wat je gisteren nog niet zag?’

En dan vertelt Marcus: “Hij begon weer te zien en zei: ‘Ik zie mensen, het zijn net bomen, maar ze lopen rond.’” Wat een fascinerende reactie. Blijkbaar is er al iets gebeurd. De wereld is niet langer één grote donkere vlek. Er komt licht binnen. Er verschijnen vormen. Hij ziet contouren. Maar het beeld is nog niet scherp. Hij ziet mensen, maar hij kan ze nog niet goed onderscheiden. Ze lijken op bomen die rondlopen.

Waarom bomen? Waarom zegt hij niet: ‘Ik zie schimmen’? Of: ‘Ik zie verticale rechtopstaande objecten’? Dat zullen we wel niet te weten komen. Maar Marcus zou de bomen bewust als theologisch symbool hebben kunnen gebruikt. Want mensen worden in het Oude Testament inderdaad met bomen vergeleken: een boom geplant aan water, de rechtvaardige die groeit als een palm, mensen als terebinten van gerechtigheid.

Maar wat Marcus in elk geval doet met dit verhaal is duidelijk maken dat wij allemaal van blind ziend moeten worden. Dit verhaal over de genezing van de blinde man staat namelijk in het midden van het evangelie van Marcus. Vlak daarvoor is weer duidelijk geworden dat de leerlingen nog steeds niet zagen wie Jezus nu echt was. Ze waren blind. Marcus 8:17-18: “Begrijpen jullie het dan nog niet, en ontbreekt het jullie aan inzicht? Zijn jullie dan zo hardleers? Jullie hebben ogen, maar zien niet?” En vlak na het genezingswonder in twee fases Stelt Jezus die bekende vraag (Marcus 8:29): “En jullie, wie zeggen jullie dat Ik ben?’ Petrus antwoordde: ‘U bent de messias.’”

Dus je ogen moeten in een groeiproces open gaan voor de nieuwe werkelijkheid van Jezus. Dat Hij Heer is, de Christus! Maar ik denk dat dit verhaal van de blinde man ook breder tot ons spreekt. Want herkennen we dat niet allemaal? Dat je jarenlang ergens aan voorbij kunt leven, zonder dat je het doorhebt. En dat er dan langzaam iets begint te verschuiven. Niet in één keer, maar stap voor stap. Je gaat anders kijken. Je ontdekt een werkelijkheid die er al die tijd al was, maar waarvoor je ogen nog gesloten waren.

Soms ervaar je dat als niet minder dan een vernieuwingsproces, een heuse bekering. Je ogen gaan open voor de schoonheid van de natuur. Voor de kostbaarheid van vriendschap. Voor de aanwezigheid van God in gewone alledaagse momenten. Voor de kleuren van een vogel of een bloem die er gisteren ook al was. Voor de wijsheid die zichtbaar wordt in alles wat God geschapen heeft.

3

En nu we het toch over wijsheid hebben, maken we de overstap naar Spreuken 3. Wijsheid, daar is heel het Spreukenboek vol van. En het gaat er ook over geluk, het geluk dat God voor ons in gedachten heeft.

In Spreuken 3:13 lezen we:

“Gelukkig de mens
die wijsheid ontdekt,
de mens die inzicht wint.”

Wijsheid is in het Hebreeuws het woord ‘chokmah’. Dat is een prachtig woord. Wij denken bij wijsheid vaak aan veel weten, veel kennis hebben of slim zijn. Maar chokmah is veel meer dan dat. Het is de kunst om goed te leven. Het is het vermogen om de werkelijkheid te zien zoals God haar ziet en om daar ook naar te handelen.

Chokma zit niet alleen in je hoofd. Ze zit ook in je handen, in je hart en in je voeten. Een goede meubelmaker heeft chokmah. Een wijze koning heeft chokmah. Een liefdevolle ouder leeft uit chokmah. Wijsheid is geen verzameling ideeën, maar een manier van leven.

Daarom is het zo mooi dat Spreuken zegt: “Gelukkig de mens die wijsheid ontdekt.” Wijsheid is een schat die je onderweg in je leven tegenkomt. Je gaat haar herkennen. Je gaat haar zien. Je ogen gaan voor haar open. Chokmah. Geen theorie uit boeken, geen geschreven regels, maar een manier van kijken, een gevoeligheid voor hoe God zijn schepping heeft bedoeld. Wijsheid is levenskunst.

En dan is daar die prachtige zin:

“Wijsheid is een levensboom
voor wie haar omhelst,
wie haar omarmt,
mag zich gelukkig prijzen.”

Wat een verrassend beeld. Er staat niet: wijsheid is áls een levensboom. Er staat: wijsheid ís een levensboom. Alsof God zegt: als je wilt weten wat wijsheid is, kijk dan eens naar een boom. Kom dichter bij die boom, maak er contact mee. Zie de boom, luister ernaar.

En dan moeten we denk ik zien dat die boom niet alleen maar een beeld is, een metafoor. Bomen in de Bijbel zijn niet alleen maar een illustratie van de geestelijke inzichten waar het dan werkelijk om zou gaan. Nee, we worden uitgenodigd om de boom niet alleen als een beeld voor iets anders te zien, maar ook als een bondgenoot. Niet alleen als metafoor maar ook als metgezel en zelfs als meester, door God een eigen plek in de schepping gegeven om ons te onderwijzen over het leven.

Eigenlijk worden we hier uitgenodigd om niet alleen naar bomen te kijken, maar ze te omhelzen, te omarmen, er verbinding mee te maken, echt contact. We vinden het vaak een beetje raar als mensen liefde hebben voor bomen. ‘Je wordt toch geen boomknuffelaar’. Dat misschien niet. Maar hoor de stem van de wijsheid die zegt: “Wijsheid is een levensboom voor wie haar omhelst, wie haar omarmt, mag zich gelukkig prijzen.” Dus misschien moeten we onze ideeën daarover wel wat vernieuwen vanuit de wijsheid van de Bijbel.

Hier gaat het dan ook nog over de levensboom. Dat is misschien wel de bekendste boom uit de hele Bijbel. Hij staat helemaal aan het begin. Midden in de hof van Eden. En hij staat helemaal aan het einde. Midden in het nieuwe Jeruzalem. De Bijbel begint met een boom. De Bijbel eindigt met een boom.

Alsof God vanaf de eerste bladzijde tot de laatste bladzijde van de Bijbel wil zeggen: leven is bedoeld om geworteld te zijn, te groeien en vrucht te dragen. Die boom uit de tuin van het paradijs en uit het visioen van het nieuwe Jeruzalem die staat hier ook midden in Spreuken. Wie wijsheid zoekt, moet bij de levensboom zijn. De boom die je het leven leert leven. De boom die je het leven geeft. De boom die je onderwijst over vertragen, over langzame groei, over wisselende seizoenen, over diepe wortels, over stevigheid in een storm, over je uitstrekken naar het licht, over bescherming zoeken in de schaduw, over bladeren en vruchten, over zaad achterlaten voor een volgende generatie. Wie de levensboom omhelst, omarmt de kunst van het leven.

En weet je wat boeiend is? Al heel vroeg zagen de kerkvaders iets bijzonders. Zij zeiden: de levensboom uit Genesis, de levensboom uit Spreuken en de levensboom uit Openbaring wijzen uiteindelijk allemaal naar één boom: het kruis van Christus, gemaakt van het hout van een boom. Het kruis is de ware levensboom. Waar door het eten van de boom van kennis van goed en kwaad de dood de wereld binnenkwam, komt door de boom van het kruis van Christus het leven naar ons toe. Richt je dus op die levensboom! Omhels die boom. Omarm die boom en je zult gelukkig leven! Dat is Gods eigen belofte.

4

En dan komen we bij Psalm 1. De openingspsalm van heel het Psalmenboek. Psalm 1 staat als een soort opschrift boven alle Psalmen. Dit is de bedoeling van de Psalmen: dat we gelukkig worden, dat we bomen zullen zijn die geplant zijn aan stromend water.

Zo opent de Psalm:

“Gelukkig de mens die niet meegaat met wie kwaad doen,
die de weg van zondaars niet betreedt, bij spotters niet aan tafel zit,
maar vreugde vindt in de wet van de HEER
en zich verdiept in zijn ‘torah’, dag en nacht.”

Dat woord ‘gelukkig’ is een prachtig woord. Het betekent niet: iemand die altijd vrolijk is of bij wie alles meezit. Het gaat over een mens die het goede spoor gevonden heeft. Een mens die leeft zoals God het leven bedoeld heeft. Een mens die tot bloei komt.

En in dat tot bloei komen speelt de torah een belangrijke rol. Ik heb dat woordje er bewust neergezet, en niet ‘wet’. Dat woord wet leidt al snel tot het misverstand dat het vooral over regels en geboden en voorschriften gaat. En nu spelen die beslist een rol, maar het woord ‘torah’ is breder en heeft toch wat een andere kleur. Je moet ‘chokmah’ en ‘torah’ eigenlijk zo dicht mogelijk bij elkaar houden. Chokmah is die wijsheid die we ook levenskunst noemen. Torah is wijzing, aanwijzing, onderwijzing, Gods wegwijzende Woord. God die je de weg wijst naar het leven. Of Jezus die je wegwijs maakt in Gods koninkrijk. Dat is torah. En die is dus niet bedoeld om je leven kleiner en benauwder te maken, maar juist ruimer en vitaler.

Het ‘zich verdiepen in de torah’ (Psalm 1) en ‘het omhelzen van de chokmah’ (Spreuken 3) gaan over hetzelfde. In beide gevallen gaat het erom echt contact te maken, je te verbinden met het geschreven Woord en met de geschapen werkelijkheid en zo je te verbinden met Christus.

En daarom lijkt het me veelbetekenend dat ook hier die boom in beeld komt. Die boom die staat voor chokmah, voor wijsheid, voor levenskunst.

“Hij zal zijn als een boom, geplant aan stromend water.
Op tijd draagt hij vrucht, zijn bladeren verdorren niet.
Alles wat hij doet komt tot bloei.”

Wie zich laat vormen door de torah, het wegwijzende woord van God, zal groeien in de chokmah van de levensboom. Je wordt die boom die vol leven zit. Je menszijn krijgt de eigenschappen van een boom. Je bent geworteld. Je ontvangt voortdurend water. Je groeit, ook als niemand het ziet. Je draagt vrucht op zijn tijd (niet op jouw tijd). Je blad verdort niet. Je hoeft jezelf niet voortdurend te bewijzen. Je staat. En terwijl de seizoenen komen en gaan, blijft je leven ontvangen uit de bron en leven geven in vruchten. Dat is een heel veelbelovend beeld.

5

Ik wil weer praktisch eindigen. Kent iemand van jullie de 3+30+300-regel? Dat is een richtlijn voor stadsontwikkeling, om steden groener, gezonder en beter bestand tegen klimaatverandering te maken. En dat is goed voor de fysieke en mentale gezondheid van mensen.

De regel is eenvoudig. De 3 staat hiervoor: vanuit je huis zou je minstens drie bomen moeten kunnen zien. De 30 staat hier voor: je buurt zou minstens dertig procent boomkruin bedekking moeten hebben. De 300 staat voor: op maximaal driehonderd meter van je huis zou een park of een groene plek moeten zijn waar je gemakkelijk naartoe kunt gaan. Dat blijkt goed te zijn voor je lichaam. Voor je stressniveau. Voor je gezondheid. Voor je fysieke en je mentale welzijn.

Laat ik er een vertaling van maken – een 3+30+300-uitnodiging:

3: maak contact met drie bomen in de directe omgeving van je huis. Zie ze echt. Geloof dat Gods wijsheid ook door die bomen naar je toe komt. Laat de bomen je tot zegen zijn.
30: gun jezelf dagelijks 30 minuten in de natuur. Adem de buitenlucht in. Kijk naar een boomstam. Luister naar de vogels. Voel de wind op je wangen. Verwonder je over Gods schepping. Laat die een metgezel zijn op je weg in het koninkrijk van Jezus.
300: zorg dat er binnen driehonderd meter van je huis een plek is waar je bijvoorbeeld eens per week naartoe gaat. Een soort van binnenkamer maar dan buiten, in de natuur. Net zoals Jezus zich regelmatig terugtrok om in de schepping bij zijn Vader te zijn.

Ik hoop van harte dat het kijken naar bomen ons veel geluk gaat brengen. Laten we daarover zingen Psalm Project Psalm 1.


Moment van toewijding

Naast Psalm 1 is er ook Psalm 19 die gaat over de wet en de wijsheid van God. Een Psalm die ons oproept om ons leven aan de HEER toe te wijden. Het eerste deel van de Psalm gaat over de natuur: “De hemel verhaalt van Gods majesteit, het uitspansel roemt het werk van zijn handen.” En het tweede deel over de thora: het wegwijzende woord van God. We luisteren nu naar dat tweede deel:

8 De wet van de HEER is volmaakt:
levenskracht voor de mens.
De richtlijn van de HEER is betrouwbaar:
wijsheid voor de eenvoudige.
9 De bevelen van de HEER zijn eenduidig:
vreugde voor het hart.
Het gebod van de HEER is helder:
licht voor de ogen.
10 Het ontzag voor de HEER is zuiver,
houdt stand, voor altijd.
De voorschriften van de HEER zijn waarachtig,
rechtvaardig, geheel en al.
11 Ze zijn begeerlijker dan goud,
dan fijn goud in overvloed,
en zoeter dan honing,
dan honing vers uit de raat.
12 Uw dienaar laat zich erdoor gezeggen,
wie ze opvolgt wordt rijk beloond.
13 Maar wie kan al zijn fouten kennen?
Spreek mij vrij van verborgen zonden.
14 Bescherm mij, uw dienaar, en laat hoogmoed
niet over mij heersen, dan zal ik volmaakt zijn
en bevrijd van grote zonde.
15 Laten de woorden van mijn mond U behagen,
de overpeinzingen van mijn hart U bekoren,
HEER, mijn rots, mijn bevrijder.

Zingen: Opwekking 244 – Welzalig de man die niet wandelt


Gespreksvragen

  1. Welk beeld of welke gedachte uit de preek is je het meest bijgebleven, en waarom juist dat beeld of die gedachte?
  2. Jezus vraagt aan de blinde man: ‘Zie je iets?’ (Marcus 8). Welke nieuwe werkelijkheid of welk nieuw inzicht is de laatste tijd langzaam voor jou zichtbaar geworden?
  3. De preek zegt dat bomen niet alleen een metafoor zijn, maar ook metgezellen en (leer)meesters. Hoe kijk jij daartegenaan?
  4. Spreuken 3 noemt wijsheid een levensboom. Wat betekent het voor jou om wijsheid niet vooral als kennis en weten, maar als levenskunst te zien?
  5. Psalm 1 vergelijkt een mens die leeft vanuit Gods torah met een boom aan stromend water. Waardoor word jij op dit moment gevoed, en wat helpt jou om geestelijk geworteld te blijven?
  6. Hoe verhouden torah (wegwijzende woord) en chokmah (wijsheid) zich in jouw beleving tot elkaar?
  7. Welke eigenschap van een boom spreekt jou het meeste aan voor je eigen leven: wortels, groei, geduld, vrucht dragen, stevigheid, schaduw geven of iets anders? Vertel waarom.
  8. De preek verbindt de levensboom uiteindelijk met het kruis van Christus. Wat betekent dat beeld voor jouw geloof en je relatie met Jezus?
  9. De 3-30-300-regel werd vertaald naar een geestelijke oefening. Welke van de drie stappen zou jij de komende week willen uitproberen, en wat verwacht je daarvan?
  10. Stel dat iemand jou over een jaar vraagt: ‘Wat hebben de bomen je geleerd als het gaat om leven in Gods koninkrijk?’ Wat hoop je dan te kunnen antwoorden?

Werkvormen

Een boom als spiegel

Ga (of kijk vanuit het raam) naar een boom in de omgeving. Observeer de boom twee minuten in stilte. Deel daarna met elkaar: Welke eigenschap van deze boom heb ik op dit moment zelf nodig? Sluit af met een kort gebed.

De levensboom tekenen

Teken een grote boom op een vel papier. Schrijf:

  • bij de wortels: wat jou voedt in je geloof;
  • op de stam: wat je helpt om stevig te blijven;
  • in de takken: waar je naartoe groeit;
  • in de vruchten: wat je graag wilt doorgeven aan anderen.

Bespreek daarna in tweetallen wat je hebt getekend.

De 3-30-300-uitnodiging

Maak samen een concreet plan voor de komende week:

  • kies drie bomen op kijkafstand van je huis die je bewust ‘adopteert’ als metgezel;
  • plan één moment van ongeveer dertig minuten in de natuur;
  • zoek een vaste groene plek waar je de komende maand wekelijks naartoe wilt gaan voor stilte, gebed of Bijbellezen.

Spreek af om elkaar de volgende keer te vertellen wat je hebt ervaren.