1

Dat Onze Vader, dat is en blijft een bijzonder gebed en ook een belangrijk gebed. Niet om het zo vaak mogelijk te zeggen of zelfs af te raffelen. Nee, eerder als bron van inzicht in wat er echt toe doet als wij ons op aarde willen afstemmen op de hemel en op onze hemelse Vader en op het koninkrijk van God.

Want dat is de kern van dat gebed: Jezus leert ons om ons op aarde af te stemmen op het koninkrijk. Als je bidt zoals Jezus ons dat leert, raken hemel en aarde in je leven meer en meer op elkaar afgestemd. Niet voor niets staat in het centrum van dit gebed dat korte zinnetje: “op aarde zoals in de hemel”.

En leven in dat koninkrijk, dat gaat hierover. En dan laat ik nog een keer de zeven sleutelwoorden zien die weergeven waar het om gaat:

  1. vertrouwen (“Onze Vader in de hemel…”),
  2. vreugde (“Laat uw naam geheiligd worden…”,
  3. hoop (“Laat uw koninkrijk komen…”),
  4. toewijding (“Laat uw wil gedaan worden…”),
  5. vrijgevigheid (“Geef ons vandaag brood…”),
  6. vergevingsgezindheid (“Vergeef ons onze schulden…”)
  7. alertheid (“En breng ons niet in beproeving, maar red ons van het kwaad.”)

2

Nu doet er zich iets merkwaardigs voor: we zijn van onszelf misschien geneigd om het Onze Vader in de omgekeerde volgorde te bidden. Dan beginnen we niet bij het begin, maar bij het einde. Dat leerde ik van de nieuwtestamenticus Tom Wright.

Hij laat zien dat het Onze Vader eigenlijk een lijst met prioriteiten in het koninkrijk van God is. Zeven prioriteiten dus. Hij vergelijkt het met een huis waarin je binnenkomt via de voordeur: het vertrouwen in God als je hemelse Vader. Maar veel vaker, tenminste dat zegt Wright, gaan we binnen via de achterdeur. We beginnen bij het einde van het gebed.

Misschien herken je dat ook wel. Als je gaat bidden gaat het vaak al snel over je problemen, de dingen waar je mee worstelt (“Breng ons niet in beproeving”). En dan beseffen we al snel dat we zondig zijn (“Vergeef ons onze schulden”). En dan hebben we allerlei zorgen in ons dagelijkse leven die we aan God voorleggen (“Geef ons vandaag het brood dat we nodig hebben”). En of je dan echt nog toekomt aan het koninkrijk van God, aan de wil van God, aan de Naam van God en aan vertrouwen op God – om dat echt ruimte te geven in je gebed – dat is nog maar de vraag.

Hoe dat in de praktijk er ook uitziet, Jezus nodigt ons dus uit om wel echt bij het begin te beginnen: eerst Hem kennen en aanbidden als Vader en verlangen naar de eer voor zijn Naam, naar de gehoorzaamheid aan zijn wil en naar het tevoorschijn komen van het koninkrijk van God. Op aarde zoals in de hemel – dat is de as waarom dit hele gebed draait.

3

En als we dat zo doen, dan komen ze zeker ook uit bij al die dingen die ons in eerste instantie vaak het meest bezighouden. Daar moet het dus zeker ook over gaan. En vandaag zijn we dus bij die laatste bede aangekomen.

Het is een wat vreemde slotbede. We eindigen het Onze Vader trouwens meestal met: “Want van u is het koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid tot in de eeuwigheid”. En dat is ook mooi om dat te doen, maar die woorden heeft Jezus er hoogstwaarschijnlijk zelf niet bij gegeven toen hij zijn leerlingen leerde bidden. Die zijn later toegevoegd, in de vroege christelijke en kerkelijke traditie, om het gebed wat meer een afronding te geven.

Jezus liet dit de laatste woorden zijn: “breng ons niet in beproeving maar red ons van het kwaad”. Best apart en heftig om zo te eindigen. Die bede heeft al vanaf het begin ook misverstanden opgeroepen. Hoe kan Jezus ons nu leren bidden of Gód ons niet in beproeving wil brengen? Dat doet God toch nooit? God is er toch nooit op uit om ons van de weg van Jezus af te brengen? Want daar gaat het in die beproeving om: dat er dingen zijn in je leven die je verleiden om de weg van Jezus te verlaten.

Ik kan me zelf trouwens nog felle discussies op de jeugdvereniging van vroeger herinneren over het verschil tussen beproeving en verzoeking. Verzoeking kwam van de duivel en beproeving kwam van God. Maar dan moest je in een concrete situatie dus nog uit zien te vinden of het een verzoeking of een beproeving was. En dat bleek dan onmogelijk.

Misschien is het ook niet nodig om daar al te veel over te filosoferen. Beter is het om ons dit vooral te realiseren: er is kwaad in deze wereld, er zijn echt dingen die ons bij Jezus vandaan houden, er zijn situaties die ons verleiden om tegen God te kiezen. En we zijn er niet tegen opgewassen.

De Heidelbergse Catechismus brengt het mooi onder woorden:

“Wij zijn van onszelf zó zwak, dat wij zelfs geen ogenblik kunnen standhouden. Bovendien houden onze doodsvijanden – de duivel, de wereld en ons eigen vlees – niet op ons aan te vechten.”

(Tussen haakjes: de Catechismus gebruikt in het antwoord dus niet het woord beproeving of verzoeking maar aanvechting. Misschien is dat wel het beste woord om te gebruiken als het over deze dingen gaat: aanvechting, we worden dag in dag uit aangevochten in ons geloven, hopen en liefhebben.)

“Daarom bidden wij U: wil ons toch staande houden en sterken door de kracht van uw Heilige Geest, zodat wij in deze geestelijke strijd niet het onderspit delven, maar altijd krachtig tegenstand bieden, totdat wij uiteindelijk de volkomen overwinning behalen.”

4

Het gaat dus over geestelijke strijd. Zo verwoord ik die bede graag: maak ons alert in de geestelijke strijd.

Geestelijke strijd betekent: er zijn krachten en kwade machten werkzaam die het gemunt hebben op ons geestelijke leven. “Red ons van het kwaad”. En “kwaad” kun je eventueel ook met een hoofdletter schrijven als we ons realiseren hoe de Bijbel spreekt over de persoon van satan, de duivel.

Als ik even de vier meeste recente bijbelvertalingen onder elkaar zet:

NBG 1951: “maar verlos ons van de boze”
NBV 2004: “maar red ons uit de greep van het kwaad”
Herziene NBV: “maar red ons van het Kwaad”
NBV21: “maar red ons van het kwaad”

Zo wordt nog sterker de nadruk gelegd op het persoonlijke karakter van het kwaad. Zeker, het Kwaad is een macht, een boze kracht. En we zien die boze kracht overal in de wereld aan het werk. Jezus is er ook helder over dat er een grote tegenstander is, een persoon, de boze, hij heeft de naam ‘het Kwaad’.

Het Kwaad krijgt een gezicht in satan maar zit tegelijk op talloze andere manieren in de haarvaten van onze samenleving. Wie het nieuws bijhoudt, kijkt ‘het Kwaad’ voortdurend in de ogen. Ontembare krachten waar mensen en waar de wereld aan kapot gaat. Op grote schaal, wereldwijd; maar ook in onze persoonlijke levens.

Je ziet het in oorlogen die eenmaal begonnen nauwelijks meer te stoppen lijken. Je ziet het in de haat waarmee hele bevolkingsgroepen tegenover elkaar komen te staan. In systemen waarin mensen worden uitgebuit en niemand zich persoonlijk verantwoordelijk lijkt te voelen. In mensenhandel en seksueel misbruik. In racisme en vernedering. In de macht van geld die mensen steeds meer laat willen hebben terwijl anderen tekortkomen. In leugens die eindeloos worden herhaald totdat niemand meer weet wat waar is.

Maar het komt ook nog veel dichterbij. Het Kwaad werkt overal waar wantrouwen wordt gezaaid, waar mensen tegen elkaar worden opgezet, waar bitterheid zich vastzet in een mensenhart, waar een verslaving je steeds steviger in je greep krijgt, waar jaloezie een vriendschap aantast, waar angst ons verhindert om lief te hebben, waar een kleine leugen steeds nieuwe, grotere leugens nodig heeft om overeind te blijven.

Dat is misschien wel het angstaanjagende van het kwaad: het begint klein, maar het wil altijd méér. Het wil relaties kapotmaken, mensen van elkaar vervreemden, ons vertrouwen aantasten, onze liefde laten verkillen. En zo wil het ons weghalen bij het leven zoals God het heeft bedoeld.

Daarom leert Jezus ons bidden: “Réd ons van het Kwaad”.

5

Terug nu naar de geestelijke strijd. Paulus schrijft daar heel helder over in de brief aan de Efeziërs (6:12-13): “Onze strijd is niet gericht tegen mensen maar tegen hemelse vorsten, de heersers en de machthebbers van de duisternis, tegen de kwade geesten in de hemelsferen. Neem daarom de wapens van God op om weerstand te kunnen bieden op de dag van het kwaad, om goed voorbereid stand te kunnen houden.”

En het belangrijkste wapen is: het gebed. Niet omdat bidden een soort magische techniek is waarmee wij het kwaad kunnen bezweren. Bidden betekent juist dat we erkennen: uit eigen kracht kunnen we deze strijd niet voeren. We zoeken onze toevlucht bij God. We richten onze aandacht opnieuw op Jezus en zijn Koninkrijk. We vragen om de kracht van de heilige Geest. En we weigeren het kwaad het laatste woord te geven. Daarom eindigt Paulus zijn beschrijving van de geestelijke wapenrusting ook met de oproep (Efeziërs 6:18): “Laat u bij het bidden leiden door de Geest, iedere keer dat u bidt; blijf waakzaam.” Bidden is weerstand bieden, strijden om het koninkrijk van God binnen te gaan.

En zo worden we aan het einde van het gebed uitgenodigd om ook meteen weer terug te gaan naar het begin. De cirkel van het gebed wordt om zo te zeggen rond gemaakt. We gaan van “Maak me alert in de geestelijke strijd” steeds weer naar “Ik vertrouw op uw liefde”.

Hier zie je de zeven zinnen onder elkaar staan, een soort alternatief Onze Vader:

1 Ik vertrouw op uw liefde.
2 Ik vind vreugde in u.
3 Ik hoop op uw koninkrijk.
4 Ik wijd me toe aan uw weg.
5 Maak me vrijgevig.
6 Maak me vergevingsgezind.
7 Maak me alert in de geestelijke strijd.

Die zinnen zijn zo dus ook een prioriteitenlijstje als je bidt. Het zijn korte zinnen, en je kunt ze langzaam bidden, één voor één en steeds even wat stilte laten om tot je door te laten dringen wat je precies bidt…

6

“Maak ons alert in de geestelijke strijd.” Bij de eerste preek vertelde ik dat ik de sleutelwoorden ontleende aan het boek van Gert Jan Roest ‘open leven’. Dat woord alertheid dus ook. Ik vind het wel een mooi woord. Waakzaam, zou zou je het ook kunnen zeggen. “Wees waakzaam” zoals het staat in Efeziërs 6:18. Dat is de houding die we nodig hebben als we ons realiseren wat de macht van het Kwaad is.

Er zijn ook twee andere houdingen denkbaar. Aan de ene kant: onmacht. Bij al het kwaad wat je ziet, wat je overkomt, wat ook opborrelt uit je eigen hart, zou je ook bij de pakken kunnen gaan neerzitten en zeggen: “Wie zou daar tegen opgewassen zijn?”

Maar dat is niet waar Jezus op aanstuurt. Vergeet niet dat hij al overwinnaar is! Hij is machtiger dan het kwaad. Hij heeft ons al gered van het Kwaad toen hij stierf aan het kruis en opstond uit het graf. In Hem zijn wij meer dan overwinnaars. Dus niet onmachtig zijn.

Maar kies ook niet, en dat is de andere kant, voor overmoed. Dan denk je: ik pak dat kwaad wel even aan, ik ga de strijd aan, ik zal het kwaad een kopje kleiner maken. Dan verlies je uit het oog dat je maar een kwetsbaar mens bent. Er is geen plek voor overmoedigheid. Wel voor lef en voor moed, maar dan wel lef en moed door God aan je gegeven.

Waar vind je dat lef en die moedigheid? In het gebed zegt Jezus. En Paulus zegt het ook, als hij aangeeft wat de kern van de geestelijke wapenrusting is: “Laat u bij het bidden leiden door de Geest, iedere keer dat u bidt; blijf waakzaam.” De Geest geeft lef, de Geest maakt moedig. Onze alertheid moet van de Geest vervuld zijn.

7

Tenslotte. We hebben ook gelezen uit Jakobus en daar heb ik nog niks over gezegd. Ik haal nu alleen nog twee uitspraken naar voren die ons op de weg kunnen zetten van die laatste bede en ons moed en vertrouwen kunnen geven. Twee inspiraties die ons uitnodigen om niet te kiezen voor onmacht en ook niet voor overmoed maar voor alertheid en waakzaamheid en zo voor vreugde en geluk.

De eerste inspiratie. “Het moet u tot grote blijdschap stemmen, broeders en zusters, als u allerlei beproevingen ondergaat. Want u weet: wanneer uw geloof op de proef wordt gesteld, leidt dat tot standvastigheid.” (Jakobus 2:2-3)

Dat is bijzonder om het zo te zien. Elke tegenslag, al het kwaad, iedere beproeving is een gelegenheid, een kans, een uitnodiging om samen met God, in de kracht van de Geest geestelijke vernieuwing te ontvangen. Standvastigheid. Daar leiden beproevingen toe. En standvastig kun je alleen maar worden als er tegenslag is, als het kwaad je overvalt en als je weet wat je dan te doen staat: bidden, God zoeken, vertrouwen op de liefde van de Vader. Ik hoop dat je dat voor je kunt zien: dat beproevingen ook gelegenheden zijn om standvastig te worden en dichter naar Jezus toe te groeien.

De tweede inspiratie: “Gelukkig is de mens die in de beproeving staande blijft. Want wie de proef doorstaat, ontvangt als lauwerkrans het leven, zoals God heeft beloofd aan iedereen die hem liefheeft.” (Jakobus 1:12)

Het lijkt wel een zaligspreking van Jezus. Gelukkig wie nederig van hart zijn, gelukkig de zachtmoedigen, gelukkig de vredestichters, gelukkig zij die in de beproeving staande blijven. Want dat kán. Niet in eigen kracht. Maar wel in Jezus die je kracht is. Wel door de Geest van gebed. En daarom bidden we:

“Maak ons alert in de geestelijke strijd.
Bewaar ons voor onmacht en overmoed.
Maak ons standvastig.”