Lezen: Lucas 17:20-21

(Onder de preek vind je: moment van toewijding, gesprekvragen, werkvormen en een liturgie.)

Kijk de preek terug op YouTube:

Luister de preek terug als podcast:


Deze zomer gebeurden er drie dingen waardoor mijn verlangen om het koninkrijk van God te zoeken werd aangewakkerd.

Eerste. Ik werd geraakt door een korte discussie in het Nederlands Dagblad. Iemand schreef: ‘Oudere generaties in de kerk zijn veel te veel bezig geweest met wat ze níet meer geloven, met het loslaten van oude kaders. Maar een jongere generatie vraagt juist: wat kunnen we dan wél geloven? Welke kaders helpen ons om goed te leven?’

Misschien herken je dat wel. We zoeken ruimte, omdat geloof en kerk soms knellend kunnen voelen. Maar tegelijk zoeken we ook richting, omdat je in een wereld vol meningen ook zomaar het gevoel kunt hebben dat je maar wat rondzwemt.

En toen dacht ik: als we zoeken naar geloofskaders, laten we dan in elk geval starten bij Jezus. Bij Hem begint alles. En laten we ons dan richten op waar Hij voortdurend over sprak: het koninkrijk van God. Daar gelóófde Hij in, met hart en ziel.

Jézus en het koninkrijk van God. Daar geloof ik in. Dat is het geloofskader waarbinnen ik me wil bewegen. En dat past natuurlijk heel mooi bij wie we als Pro Rege willen zijn: gemeente voor de Koning – Pro Rege. Daarom willen we wegwijs worden in Gods koninkrijk. Steeds opnieuw ontdekken: waar is dat Koninkrijk? Hoe ziet het eruit? En hoe leer je erin leven?

2

Ik las een kinderboek. Van C.S. Lewis. Het eerste deel in de Narnia-serie: ‘Het neefje van de tovenaar’. In februari 2027 komt er trouwens een film uit van dit boek en dat lijkt een grootse happening te gaan worden. Ik ben daar heel benieuwd naar! 

Het verhaal gaat over twee kinderen, Digory en Polly, die door toverringen in een andere wereld terecht zijn gekomen, een wereld vol duisternis. Daar maken ze mee dat Aslan, de Leeuw, een nieuwe wereld schept: Narnia. Ik lees er iets van voor omdat ik daarin iets proef van Jezus en zijn koninkrijk.

“Eindelijk begon er in het donker iets te gebeuren. Een stem was begonnen te zingen. Het zingen kwam van heel ver weg en Digory kon moeilijk uitmaken van welke kant het kwam. Soms leek het wel van alle kanten tegelijk te komen. Dan weer had hij het idee dat het uit de grond onder hun voeten kwam. De laagste noten waren zo diep dat ze wel de stem van de aarde zelf zouden kunnen zijn. Er waren geen woorden bij. Er was zelfs bijna geen melodie. Maar het was verreweg het mooiste wat hij ooit had gehoord. Het was zo mooi dat hij er bijna niet tegen kon. (…) Toen gebeurden er twee bijzondere dingen tegelijk. Het ene was dat er opeens andere stemmen begonnen mee te zingen, meer stemmen dan je ooit tellen kon. Ze klonken heel mooi bij de eerste stem, maar waren veel hoger; koele, tinkelende, zilverige stemmen. Het tweede bijzondere was dat er in het zwart boven hun hoofd plotseling duizenden sterren stonden te flonkeren. Ze kwamen niet één voor één te voorschijn, schoorvoetend, zoals op een zomeravond. Het ene moment was er niets anders dan duisternis, het volgende moment sprongen er duizenden en duizenden lichtpuntjes te voorschijn – losse sterren, sterrenstelsels en planeten die veel groter en helderder waren dan die in onze wereld. Wolken waren er niet. De nieuwe sterren en de nieuwe stemmen begonnen precies op hetzelfde moment. Als je het gezien en gehoord had, had je net als Digory heel zeker geweten dat het de sterren zelf waren die zongen, en dat die Eerste, diepe Stem ze te voorschijn had geroepen en ze had laten zingen.”

Lewis beschrijft hier met veel verbeeldingskracht over de schepping van de hemel en de aarde. Die worden door de Leeuw, die staat voor Christus, voortgebracht door een lied, door muziek. Zo mooi. “Het was zo mooi dat hij er bijna niet tegen kon.”

Wat nu als het Koninkrijk van God zó is? Zo mooi dat je er bijna niet tegen kunt. Zo vol schoonheid, zo vol genade en waarheid, zo overvloedig! En zou het kijken naar de schepping, naar de natuur die God maakte, misschien niet een heel belangrijke manier kunnen zijn waarop we leren zien wat dat Koninkrijk eigenlijk is?

3

Joke en ik deden mee met een bosbad in Schoorl. ‘Hebben jullie gezwommen dan?’, zul je misschien niet vragen. Nee, een bosbad is dat je een paar uur in een bos bent en dat je je daar helemaal onderdompelt in de natuur. Dat je vol aandacht aanwezig bent bij de bomen, de bladeren, het mos op de grond, het gras, de vogelgeluiden, de wind die waait door de boomkronen, het zonlicht dat speelt op de grond. 

Een bosbadgids helpt je daarbij. Want voor je het weet zet je stevig de pas erin. Dan wordt het bos alleen maar het decor waar jij doorheen loopt, ondertussen druk met je eigen gedachten. Terwijl er om je heen zoveel te zien is. Zoveel groeit. Zoveel leeft. Maar je moet wel leren om er met aandacht naar te kijken. 

En toen dacht ik: misschien zit hier wel iets in wat ons kan helpen om het koninkrijk van God te begrijpen. Want tijdens zo’n bosbad verandert het bos niet. De bomen stonden er al. Het mos lag er al. De vogels zongen al. Het leven was er al. Wat verandert, is de manier waarop je kijkt en waarop je aanwezig bent en aandacht geeft.

4

En zo komen we bij Lucas 17:20-21. Het is een heel kort gesprek over het koninkrijk van God tussen Jezus en de farizeeën. De religieuze leiders van die tijd. De farizeeën hebben bij ons niet zo’n goede naam. Maar laten we ze niet te snel wegzetten. Het waren mensen met een grote passie voor God en zijn Woord. Ze verlangden ernaar dat Israël werkelijk als Gods volk zou leven. En ze verlangden naar de dag waarop God zijn koningschap zichtbaar zou maken.

Ze komen naar Jezus toe om een vraag te stellen. Hun motieven waren waarschijnlijk niet zo zuiver. Want Jezus had het alsmaar over het koninkrijk van God, maar de farizeeën zagen er helemaal niets van. Waar heeft die Man het over?

En dan komt hun vraag: ‘Wanneer komt het koninkrijk van God?’ Ze kijken er sceptisch bij. ‘Wanneer komt het koninkrijk van God?’ Dat kan natuurlijk ook onze eigen vraag zijn, een heel oprechte vraag, zonder bijbedoelingen. ‘Wanneer komt het koninkrijk van God?’ En helemaal als je ontdekt dat Jezus daar zóveel over spreekt. Steeds opnieuw gaat het over dat koninkrijk, over God die koning wordt, over Jezus zelf die zich presenteert als koning. Als dat dan zo belangrijk is, wanneer krijgen we daar dan eens een keer echt wat van te zien?

Wanneer zijn de oorlogen voorbij? Wanneer kunnen we echt in liefde, vreugde en vrede samenleven? Wanneer stelt God eens orde op zaken in deze wereld? Wanneer breekt het moment aan dat er geen verdriet meer is, geen pijn meer, geen ziekte meer, geen lijden meer, geen dood meer?

Een wat meer eigentijdse variant op deze vraag luidt zo: ‘Wordt het nog wat met dat koninkrijk van U?’ Die vraag wordt zo gesteld in een bekend gedicht van Gerard Reve uit 1969. Het heet ‘Graf te Blauwhuis’ en gaat over het sterven van een jonge man, achttien jaar oud. Het gedicht eindigt zo:

“(…) Een kind nog. Dag lieve jongen.

Gij, die koning zijt, dit en dat, wat niet al,
ja ja, kom er eens om,

Gij weet waarom het is, ik niet.
Dat Koninkrijk van U, weet U wel, wordt dat nog wat?”

Dat klinkt best heftig. Maar onder die heftigheid zit vast verdriet en wanhoop. En misschien ook wel verlangen. ‘God, als U werkelijk Koning bent – laat het dan zien. Dat Koninkrijk van U, wordt dat nog wat?’

5

Wat is het antwoord van Jezus? Daar proberen we nu met alle aandacht naar te luisteren. 

“De komst van het koninkrijk van God laat zich niet aanwijzen, en men kan niet zeggen: ‘Kijk, hier is het!’ of: ‘Daar is het!’ Maar weet wel: het koninkrijk van God ligt binnen uw bereik.”

Het eerste wat opvalt: Jezus geeft geen antwoord op de wanneer-vraag. Die vraag kan ons sterk bezighouden. ‘Wannéér komt dat koninkrijk?’ Maar daarmee kunnen we ook op een eenzijdig spoor terecht komen. Dan kijken we naar de toekomst. En we denken misschien zelfs aan de wederkomst van Jezus. Of aan het moment dat we naar de hemel gaan. Maar als Jezus over het koninkrijk van God spreekt, denkt Hij daar niet allereerst aan. Het Koninkrijk is bij Jezus niet allereerst iets waarop je moet wachten. 

Jezus geeft antwoord op een andere vraag: ‘Wáár is het koninkrijk van God?’ Kun je het koninkrijk van God ergens zien? Kun je het aanwijzen? Waar is het eigenlijk?

Het tweede wat we leren is dit: nee, je kunt het koninkrijk niet met je vinger aanwijzen zoals je een stoel kunt aanwijzen, of Frankrijk op de landkaart, of zoals je een speld op Google Maps kunt zetten: ‘Koninkrijk van God – je bent gearriveerd.’

Het koninkrijk van God laat zich niet aanwijzen. Het woord dat er staat is wat lastig (‘meta paratèrèseoos’) en wordt ook wel anders vertaald:

  • het laat zich niet berekenen
  • niet op een waarneembare manier
  • je kunt het niet zien (met je fysieke ogen)
  • je kunt het niet observeren (zoals we afgelopen woensdag de zonsverduistering konden observeren, mét eclips brilletje)

Het koninkrijk van God is dus niet een object of een afgebakend gebied dat je kunt observeren, aanwijzen, analyseren of berekenen. Je kunt niet zeggen: hier begint het en daar houdt het op. Het is een ander soort werkelijkheid.

Misschien kun je het een beetje vergelijken met een sfeer. Als er ergens een gezellige sfeer is, kun je die niet met je vinger aanwijzen: kijk, dáár zit de gezelligheid. En toch is die gezelligheid heel werkelijk. Ze is in de hele ruimte aanwezig. Je merkt haar. Je ervaart haar. Je gaat er zelf misschien zelfs anders door praten en bewegen. Ontspannener.

Het is een beetje zoeken…, want het koninkrijk van God is natuurlijk meer dan een sfeer. Het is het prachtige koningschap van Christus. Het is de liefdevolle aanwezigheid van God de Vader. Het is de energie van heilige Geest die waait waarheen Hij wil. Het is een goddelijke, hemelse werkelijkheid die verborgen is en toch heel dichtbij.

6

En dan zegt Jezus hoe het wel is. ‘Niet hier’. ‘Niet daar.’ Maar: “Het koninkrijk van God ligt binnen uw bereik.” En hier staat weer een woordje waar in de bijbeluitleg altijd al verschillende betekenissen aan is gegeven. Het woordje ‘entos’. Het koninkrijk van God is ‘entos’ jullie. Wat betekent dat woordje precies? 

Er zijn twee betekenissen mogelijk: 1) ‘binnen in jullie, in jullie’ 2) ‘te midden van jullie, onder jullie, bij jullie’.

In de oudere vertaaltradities is meestal voor dat eerste gekozen. Het koninkrijk van God is binnen in jullie. Dan is het koninkrijk dus een innerlijke werkelijkheid, een mystieke werkelijkheid zelfs, het koninkrijk als het geheim van ons hart, waar Christus woont, waar de heilige Geest leeft. Het koninkrijk van God is binnen in ons!

De modernere vertalingen kiezen voor ‘te midden van jullie’. Dat gebeurt vooral omdat er meer oog voor kwam voor dat Jezus dit tegen de farizeeën zei. Dat waren zijn tegenstanders. En het ligt dan niet voor de hand dat Jezus dan zegt dat ze al deel hebben aan het koninkrijk dat in hun hart is. Bovendien opent de vertaling ‘te midden van jullie’ de ogen voor nog iets anders. Want wie is daar temidden van de farizeeën? Jezus zelf. Ze zien Hem. En ze zien daarmee de koning en zijn koninkrijk. Maar daar kun je dus blind voor zijn. Dat Jezus in eigen persoon dat koninkrijk van God belichaamt.

7

‘Waar is het koninkrijk van God?’ Ja, wat is het nu? Binnenin, of toch te midden van? Misschien hoeven we geen keuze te maken. De vertaling die we lazen ‘binnen jullie bereik’ laat het eigenlijk open: want wat er om je heen is, is binnen je bereik, maar ook wat er in je hart is, is binnen je bereik, maar wat krijgen we er vaak moeilijk contact mee.

Ik denk dat Jezus bedoelt te zeggen: dat koninkrijk, daar hoef je niet op te wachten, het is er al; dat moet je ook niet precies willen aanwijzen en daarmee vastpinnen. Het is een Andere Werkelijkheid. 

Maar die Andere Werkelijkheid, die verborgen is, het is een mysterie, is wel heel dichtbij. Dichterbij dan je denkt. Definities die vastleggen, heldere omschrijvingen die duidelijkheid geven hebben maar beperkte waarde om het koninkrijk van God te leren zien. 

Jezus vertelt niet voor niets steeds opnieuw verhalen over het koninkrijk. Het is met het koninkrijk als met een zaaier die ging zaaien, als met een mosterdzaadje (daar gaat de preek volgende week over), als met iemand die een schat vond in een akker. 

Het koninkrijk van God zien, vraagt verbeeldingskracht. De ogen van je hart moeten er voor open gaan. Je moet om zo te zeggen wakker worden. Ja, misschien is dat uiteindelijk wel wat Jezus ons wil leren: niet om precies te kunnen aanwijzen waar het Koninkrijk is, maar om ervoor wakker te worden. Ontwaak, jij die slaapt, sta op uit de dood, en Christus zal over je lichten. Je zult het koninkrijk zien als je wakker wordt!

Dat Koninkrijk is dichterbij dan je denkt. Gods goedheid, Gods vrede, Gods vreugde, Gods liefde. Soms vang je er ineens iets van op. Soms gaat er even een deur open. Soms proef je even: ja, dit is het. Dit is hoe het leven bedoeld is. In het verhaal van ‘Het neefje van de tovenaar’ beschrijft Lewis ergens zo’n moment. De twee kinderen ontmoeten Aslan, de Leeuw. Hij geeft hun op weg naar hun gewone wereld een waarschuwing en een opdracht mee. En als hij dat gedaan heeft gaat het verhaal zo verder (ik lees dat nu voor en dan is de preek af; ik ga er straks in het moment van toewijding nog iets over zeggen, maar nu spreekt het verhaal voor zichzelf):

“De beide kinderen stonden omhoog te kijken in het gezicht van de Leeuw (…). En plotseling (hoe het precies gebeurde hebben ze nooit begrepen) leek dat gezicht een zee van golvend goud te worden, waar ze in dreven. En ze voelden zo’n lieflijkheid en kracht om zich heen en over zich heen spoelen en door zich heen stromen, dat ze beseften dat ze tot op dit moment nog nooit echt gelukkig of wijs of goed waren geweest, of zelfs maar geleefd hadden – of zelfs maar wakker waren geweest. En de herinnering aan dat ogenblik bleef hun altijd bij, zodat ze hun hele leven lang, als ze ooit bedroefd waren of bang of boos, terug moesten denken aan al die gouden goedheid en het gevoel hadden dat die er nog steeds was, vlakbij, net om het een of andere hoekje of achter de een of andere deur, en daardoor wisten ze dan diep in hun hart weer zeker dat alles goed was.”

(We zingen: Opwekking 770 – Ik zal er zijn)


Moment van toewijding

Ik denk dat dat lied ‘Ik zal er zijn’ zo geliefd is omdat het gaat over het koninkrijk van God. En ten diepste verlangen we daar allemaal naar. Het lied gaat over die Andere Werkelijkheid, verborgen aanwezig – ‘waar ik ben bent u, wat een kostbaar geheim’. Dat is de ruimte van het koninkrijk die open gaat als we de Naam van Jezus noemen – ‘Ik ben die Ik ben’. 

We nemen nu een moment om ons toe te wijden aan dat koninkrijk van God. Dat we er oprecht naar zoeken, zoals Jezus tegen ons zegt: ‘Zoek éérst het koninkrijk van God’.

Ik haal nog even drie zinnen naar voren uit dat verhaal waarmee ik de preek afsloot.

1 “Plotseling leek dat gezicht een zee van golvend goud te worden, waar ze in dreven.”

Het koninkrijk is niet alleen iets waar je over nadenkt of in gelooft. Het is een werkelijkheid waarin je je mag onderdompelen (zoals in een bosbad). Gods aanwezigheid om je heen, zijn liefde om je heen, zijn Geest in je. Een zee van golvend goud – het gezicht van Jezus. Kijk naar Hem.

2 “Ze beseften dat ze tot op dit moment nog nooit echt gelukkig of wijs of goed waren geweest– of zelfs maar wakker waren geweest.”

Het koninkrijk zoeken is wakker worden, wakker worden in Gods nieuwe wereld. Ontdekken dat er zoveel meer is dan wat je op het eerste gezicht ziet. Echt geluk, echte wijsheid en goedheid – ze zijn alleen te vinden in Gods koninkrijk. Word wakker!

3 “Als ze ooit bedroefd waren of bang of boos, moesten ze terug denken aan al die gouden goedheid en hadden ze het gevoel dat die er nog steeds was, vlakbij, net om het een of andere hoekje.”

We hebben allemaal momenten wat de bedroefd, bang of boos zijn. Dat is oké. Probeer dan toch ook te denken aan al die gouden goedheid. Want die is vlakbij. Dichterbij dan je zou denken of durven geloven.

Is dat koninkrijk jouw hartsverlangen? Sta daar even bij stil. (…)

Psalm 27 gaat over dat hartsverlangen. Niets is zo goed als zijn aanwezigheid, die Andere Werkelijkheid, die we koninkrijk van God noemen.

2. Eén ding vraag ik, het is mijn hartsverlangen:
bij Hem te mogen wonen voor altijd,
om elke dag zijn liefde te ontvangen;
niets is zo goed als zijn aanwezigheid.
Wanneer ik moegestreden ben en zwak,
schuil ik bij Hem, Hij geeft mij onderdak.
Met opgeheven hoofd prijs ik de HEER.
Ik zing en speel een danklied tot zijn eer.

4. Wijs mij uw weg, leid mij langs vlakke paden;
Schiet mij te hulp, ik ben in doodsgevaar.
Mijn tegenstanders kennen geen genade,
ze zijn gemeen en onberekenbaar.
Moest ik de goedheid missen van de HEER,
waar zou ik zijn? Dan leefde ik niet meer!
Vertrouw de HEER, wees sterk en wanhoop niet.
Wacht op de HEER, houd vol tot je Hem ziet.

Gespreksvragen

  1. De preek begint met de vraag: wat kunnen we wél geloven en welke kaders helpen ons om goed te leven? Wat helpt jou persoonlijk om richting te vinden in je geloof?
  2. Lees samen Lucas 17:20-21. De farizeeën vragen: wanneer komt het Koninkrijk? Jezus lijkt hun aandacht te verleggen naar waar het Koninkrijk is. Wat verandert er volgens jou door die verschuiving?
  3. Jezus zegt in Lucas 17:21 dat het Koninkrijk entos ons is: dat kan betekenen ‘binnenin jullie’ én ‘te midden van jullie’. Welke betekenis spreekt jou het meest aan? Waarom?
  4. De preek noemt het Koninkrijk een ‘Andere Werkelijkheid’ die verborgen is en toch heel dichtbij. Wat stel jij je daarbij voor?
  5. Bij een bosbad (‘forest bathing’ of ‘shinrin yoku’) verandert het bos niet, maar verandert de manier waarop je kijkt, aanwezig bent en aandacht geeft. Herken je dat uit je eigen leven of geloof?
  6. ‘Dat Koninkrijk van U, weet U wel, wordt dat nog wat?’ Wanneer zou jij die vraag aan God willen stellen?
  7. Het Koninkrijk wordt verbonden met Gods goedheid, vrede, vreugde en liefde. Waar heb jij de afgelopen week iets daarvan gezien of ervaren?
  8. ‘Je moet om zo te zeggen wakker worden.’ Waarvoor zou jij op dit moment geestelijk wat meer wakker willen worden?
  9. Lewis spreekt over ‘al die gouden goedheid’ die nog steeds vlakbij is, ook wanneer je bedroefd, bang of boos bent. Wat helpt jou om Gods goedheid juist op zulke momenten niet uit het oog te verliezen?
  10. Stel dat je morgen leeft vanuit de gedachte ‘het Koninkrijk van God is dichterbij dan ik denk’. Wat zou je dan anders kunnen zien of doen?

Werkvormen

1. Koninkrijk-‘spotters’

Neem vijf minuten stilte. Iedereen denkt terug aan de afgelopen week en zoekt één klein moment waarin iets van liefde, vrede, vreugde, schoonheid of goedheid zichtbaar werd. Deel daarna die momenten met elkaar. Maak samen als het ware een kleine ‘kaart’ van plekken waar jullie iets van het Koninkrijk opmerkten.

2. Aandachtig naar buiten

Ga, als dat mogelijk is, tien minuten naar buiten. Loop niet doelgericht, maar vertraag. Kijk, luister en voel. Kies één detail dat je aandacht trekt: een boom, wolk, vogel, lichtval, bloem. Kom terug en vertel: wat zag je toen je niet alleen keek, maar aandacht gaf?

3. Wakker worden

Leg een groot vel papier neer met in het midden: ‘Het Koninkrijk is dichterbij dan je denkt.’ Iedereen schrijft er één concrete plek omheen waar hij of zij komende week bewuster wil zoeken naar Gods Koninkrijk: thuis, werk, natuur, kerk, buurt, een moeilijke relatie… Sluit af door voor elkaars gekozen plek te bidden.


Liturgie

Gezongen votum, groet en gezongen amen
Zingen: NLB Gezang 103c:1A,2M,3A,4V,5A – Loof de koning, heel mijn wezen
Gebed
Zingen: Opwekking 462 – Aan uw voeten, Heer
Kindermoment
Zingen (in canon): Kerkboek 2006 Gezang 38:1-4 – Zoek eerst het koninkrijk van God
Bijbellezing: Lucas 17:20-21 (in drie vertalingen)*
Preek ‘Waar is toch dat koninkrijk?’
Zingen: Opwekking 770 – Ik zal er zijn
Moment van toewijding
Zingen: DNP Psalm 27:2,4 – Eén ding vraag ik, het is mijn hartsverlangen
Voorbeden
Collectemoment
Zingen: Psalm 99:1,4,8 – God is koning, Hij sticht zijn heerschappij
Zegen en gezongen amen